Uitspraak Nº 200.276.041_01. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2020-07-30

Datum uitspraak:30 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof 's-Hertogenbosch
 
GRATIS UITTREKSEL

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 30 juli 2020

Zaaknummer : 200.276.041/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/352378 / FA RK 19-5337

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

en

[de vader] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. W. Kolmans,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ,

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 februari 2020.

2 Het geding in hoger beroep
2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 maart 2020, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 mei 2020, heeft de GI verzocht het ingestelde hoger beroep af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juli 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de ouders, vertegenwoordigd door hun advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 10 januari 2020;

  • -

    het V-formulier van 2 juli 2020 van de advocaat van de ouders met bijlagen.

3 De beoordeling
3.1.

Uit de relatie van de ouders zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]) op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ,

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 17 oktober 2017 onder toezicht van de GI.

Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

3.3.

Sinds 16 juli 2018 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit huis geplaatst. In januari 2019 heeft GI het opvoedbesluit genomen dat niet meer wordt toegewerkt naar thuisplaatsing.

  • -

    [minderjarige 2] verblijft sinds 22 juli 2019 in een perspectiefbiedend pleeggezin in [plaats] .

  • -

    [minderjarige 1] verblijft sinds 9 januari 2020 in het perspectiefbiedend gezinshuis [gezinshuis 1] .

3.4.

De ouders hebben eenmaal per vier weken één uur begeleid individueel contact met de kinderen; met [minderjarige 2] in het pleeggezin en met [minderjarige 1] in het gezinshuis.

3.5.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank het gezag van de ouders over beide kinderen beëindigd en de ouders veroordeeld om aan de voogd rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van de kinderen af te leggen.

3.6.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. In hun beroepschrift zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voeren ze, kort samengevat, het volgende aan.

De ouders hebben sinds de uithuisplaatsing in juli 2018 geen echte kans meer gehad. De ouders willen overal aan meewerken en stellen zich correct en eerlijk op. Het verzoek van de raad is relatief snel ingediend; de kinderen waren ongeveer anderhalf jaar uithuisgeplaatst. De ouders zijn bereid om te werken aan verbetering van hun opvoedvaardigheden. Zij hebben afgelopen jaar een Triple P-cursus positief afgerond. De moeder heeft een traject bij OPSY afgerond. Het staat niet vast dat er bij [minderjarige 2] sprake is van een ontwikkelingsachterstand en hechtingsproblematiek. Dat is niet onderzocht. De ouders achten zich in staat om [minderjarige 2] op te voeden met de nodige begeleiding. Met [minderjarige 2] is regelmatige omgang en dit loopt goed. [minderjarige 2] is toch met zijn pleeggezin op vakantie naar Frankrijk gegaan, ondanks dat de ouders hun toestemming hiervoor hadden geweigerd. Rondom [minderjarige 2] is een vrij...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT