Uitspraak Nº 21-006346-15. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2020-07-31

Datum uitspraak:31 juli 2020
Uitgevende instantie::Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
 
GRATIS UITTREKSEL

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006346-15

Uitspraak d.d.: 31 juli 2020

Tegenspraak

Ontnemingszaak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 27 oktober 2015 met het parketnummer 19-997500-07 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel inzake

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [woonplaats] ;

hierna te noemen: de betrokkene.

Het hoger beroep

De betrokkene en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 30 juni 2017 en 17 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Voorafgaand aan de zitting van 17 juli 2020 heeft een schriftelijke ronde plaatsgevonden, waarbij de verdediging een schriftelijk standpunt d.d. 3 augustus 2018 heeft ingediend, gevolgd door het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie, gedateerd

10 januari 2020.

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 885.161,13 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de beslissing van de rechtbank zal vernietigen, het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene zal vaststellen op € 558.049,- en diens terugbetalingsverplichting zal vaststellen op € 543.049,-.

Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman, mr. L. de Leon, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 oktober 2015, waartegen het hoger beroep is gericht,

het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vastgesteld op € 423.745,- en diens terugbetalingsverplichting vastgesteld op € 381.370,-.

Het gerechtshof verenigt zich niet geheel met die uitspraak, zodat die behoort te worden vernietigd en er opnieuw moet worden rechtgedaan.

De in hoger beroep ingenomen standpunten

In de schriftelijke ronde heeft de advocaat-generaal uiteindelijk als standpunt ingenomen dat aannemelijk is dat de betrokkene -naast de berekende illegale inkomsten- legale inkomsten uit een snackwagen heeft gehad ten bedrage van € 327.112,- en dat dit bedrag in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het wederrechtelijke voordeel dient te worden geschat op €558.049. De advocaat-generaal meent dat geen rekening moet worden gehouden met inkomsten die zoals betrokkene stelt uit legale vuurwerkhandel zouden zijn verkregen en voert aan dat die inkomsten niet aannemelijk zijn gemaakt door enkel te verwijzen naar bankafschriften, aangezien daaruit niet kan worden opgemaakt welke bedragen van vuurwerkverkoop afkomstig zijn.

Wel dient een bedrag van € 15.000 in mindering te worden gebracht op de betalingsverplichting, in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Aan betrokkene dient een betalingsverplichting te worden opgelegd van € 543.049, aldus de advocaat-generaal.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag aan legale inkomsten uit snacks moet worden vastgesteld op een bedrag van € 461.174,-. Dit bedrag dient in mindering te worden gebracht op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens moet rekening gehouden worden met de inkomsten uit legale vuurwerkhandel, hetgeen zou inhoudt dat het berekende bedrag aan wederrechtelijk voordeel tevens verminderd zou moeten worden met een bedrag van € 248.512. Ter terechtzitting in hoger beroep van 17 juli 2020 is door de verdachte en de verdediging de vraag opgeworpen of het “gat van ruim twee ton” dat dan nog zou resteren wellicht verklaard kan worden doordat dit geld afkomstig is uit wederrechtelijk verkregen voordeel uit een eerdere strafzaak van de betrokkene. De verdediging heeft in het verlengde hiervan bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil dient te worden gesteld.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De betrokkene is bij arrest van dit gerechtshof van 30 januari 2013 (parketnummer

24-002363-10) ter zake van onder meer de handel in illegaal vuurwerk veroordeeld tot straf.

Bij arrest van 7 april 2015 heeft de Hoge Raad dit arrest van het gerechtshof vernietigd, zij het uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en heeft de Hoge Raad die strafzaak zelf afgedaan.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het gerechtshof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 423.745,-. Het gerechtshof komt tot deze schatting op dezelfde gronden als de rechtbank. Deze gronden zijn daarom hieronder integraal (cursief weergegeven) overgenomen.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de verbalisanten in het rapport berekening

wederrechtelijk verkregen voordeel geschat aan de hand van de contante geldstromen

binnen de handelsonderneming van veroordeelde over de jaren 2006 tot en met 2008 (door

toepassing van de zogenaamde kasopstelling). In dat rapport wordt aangegeven dat er in de

jaren 2006 tot en met 2008 in totaal een bedrag van € 885.161,13 als onverklaarbaar

inkomen is aan te merken. Dit bedrag is volgens de verbalisanten en de officier van justitie

in...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT