Uitspraak Nº 2200308215. Gerechtshof Den Haag, 2019-04-23

Datum uitspraak:2019/04/23
Uitgevende instantie::Gerechtshof Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL

Rolnummer: 22-003082-15

Parketnummer: 09-755154-10

Datum uitspraak: 23 april 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats](Suriname) op [geboortedatum] 1953,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 29 januari 2019, 4, 5, 6, 12, 18, 19, 20 en 27 februari 2019, 6, 7, 19 en 25 maart 2019 en 9 april 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen beslist als nader vermeld in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De officier van justitie heeft, gezien de akte rechtsmiddel, onbeperkt hoger beroep ingesteld.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2019 hebben de advocaten-generaal medegedeeld dat het Openbaar Ministerie zich niet verzet tegen de vrijspraken ter zake van het medeplegen van witwassen met betrekking tot de panden aan de [pand X], [pand Y] en [pand Z].
Het hof begrijpt deze mededeling aldus dat het Openbaar Ministerie de grieven tegen deze vrijspraken niet langer handhaaft.

Het hof ziet ambtshalve geen aanleiding voor verder onderzoek naar de zaak voor zover het deze deelvrijspraken betreft. Het hof zal daarom het Openbaar Ministerie naar analogie van het bepaalde in artikel 416, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv)in zoverre niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Namens de verdachte is, blijkens de akte rechtsmiddel, onbeperkt hoger beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, Sv staat echter voor de verdachte geen hoger beroep open tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken. Het hof zal de verdachte in zoverre dan ook niet ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het inhoudelijke oordeel van dit hof onderworpen.

Onderzoekwensen

De verdediging heeft bij appelschriftuur onderzoekwensen ingediend en deze ter terechtzitting van 30 maart 2017 (vrijwel allemaal) uitgesproken. Ter terechtzitting van 11 mei 2017 heeft het hof zijn beslissingen op deze onderzoekwensen medegedeeld.

Het hof neemt als uitgangspunt dat op grond van het bepaalde in artikel 322, vierde lid, jo. artikel 415, eerste lid, Sv de beslissingen die het hof in een andere samenstelling op de (getuigen)verzoeken heeft genomen, na het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting, in stand zijn gebleven. De verzoeken die de verdediging ter terechtzitting van 29 januari 2019 heeft gedaan, betreffen verzoeken tot het horen of oproepen van getuigen die de verdediging reeds eerder had gedaan. Deze dienen dus te worden gezien als verzoeken die zijn gedaan op de voet van de artikelen 328 en 331, eerste lid, jo. 415, eerste lid Sv, die ertoe strekken dat het hof gebruik zal maken van diens bevoegdheid om zelf die getuigen op te roepen, onder toepassing van artikel 315 jo. artikel 415, eerste lid Sv. De maatstaf bij de beoordeling van dergelijke verzoeken is of het hof het horen van de getuigen noodzakelijk acht.

Onder omstandigheden kan volgens de Hoge Raad van de verdachte bezwaarlijk worden gevergd dat hij getuigen reeds bij appelschriftuur opgeeft. Zo kunnen zich gevallen voordoen waarin het belang bij het horen van getuigen eerst is opgekomen door onvoorziene ontwikkelingen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een appelschriftuur. In dergelijke gevallen brengt - tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist - de eis van een eerlijke procesvoering mee dat het hof bij gebruikmaking van de in vorengenoemde bepalingen voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium de desbetreffende omstandigheden in zijn afweging betrekt. Dat kan dan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt (zie Hoge Raad d.d. 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702 en Hoge Raad d.d. 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 ro. 2.59 e.v.). Door de verdediging zijn ter terechtzitting van 29 januari 2019 een viertal omstandigheden aangehaald welke – kort gezegd - als de hiervoor genoemde gevallen zouden hebben te gelden. Dit betreft het taxatierapport van het stuk land aan de [perceel A] in Suriname, de verklaring van [medeverdachte A], de verklaring van [broer verdachte] en de verklaring van [oudere broer verdachte].

Ten aanzien van de overige verzoeken van de verdediging aan het hof geldt dat dit verzoeken zijn als bedoeld in artikel 328 in verbinding met artikel 330 Sv om gebruik te maken van de in artikel 316, eerste lid, jo. artikel 415, eerste lid Sv omschreven bevoegdheid om ambtshalve onderzoek te gelasten. Ongeacht het moment waarop deze verzoeken worden gedaan, is de maatstaf bij de beoordeling van dergelijke verzoeken of het hof de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken (zie Hoge Raad d.d. 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302).

Daar waar de verdediging haar eerdere verzoeken heeft gehandhaafd, onderbouwd en toegelicht, dan wel (gemotiveerd) nieuwe verzoeken heeft gedaan, zal het hof deze verzoeken in het hierna volgende dan ook beoordelen aan de hand van het criterium dat volgt uit vorengenoemde jurisprudentie. Daarbij merkt het hof op dat het in de door de verdediging aangehaalde omstandigheden geen aanleiding ziet om de gedane verzoeken te beoordelen aan de hand van het noodzaakscriterium, als ware het verdedigingsbelang van toepassing.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit geen van deze vier omstandigheden enig (nieuw) concreet aanknopingspunt voor (nader) onderzoek naar de herkomst van de gelden van de vader van de verdachte.

Inzage politiedossier

De verdediging heeft verzocht om inzage in het volledige dossier, nu de raadsman stelt dat tijdens een eerdere inzage in maart 2017 niet het complete politiedossier aanwezig was, kennelijk vanuit de aanname dat er meer stukken moeten zijn, dan het politiedossier zoals dat deel is gaan uitmaken van het strafdossier. De raadsman heeft ook nadien ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat vrij recent het politiedossier door hem is ingezien en dat dit niet meer stukken omvat dan het strafdossier waarover hij reeds beschikte. Het hof stelt vast dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om het dossier in te zien, en dat er geen reden is om aan te nemen dat daarbij stukken zouden zijn achtergehouden. Gelet hierop acht het hof het niet noodzakelijk om de verdediging nogmaals in die gelegenheid te stellen. Het hof wijst het verzoek af.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De Zaak [betrokkene A]

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep tijdens zijn pleidooi en bij dupliek verzocht de ‘Zaak [betrokkene A]’ buiten beschouwing te laten. Doordat de officier van justitie bij requisitoir in eerste aanleg deze kwestie aan de orde heeft gesteld, hoewel de ‘Zaak [betrokkene A]’ als zodanig ook volgens de rechtbank geen onderdeel uitmaakte van de behandeling ter zitting, heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesgang, namelijk het fair-play beginsel en het beginsel van equality of arms, hetgeen de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie raakt. Daarnaast stelt de raadsman dat ook de advocaat-generaal heeft gehandeld in strijd met deze beginselen door de zaak van [betrokkene A] ook in hoger beroep, pas in een laat stadium, namelijk eerst bij requisitoir, aan de orde te stellen.

Indien het hof de zaak [betrokkene A] zal beschouwen als onderdeel van de behandeling ter terechtzitting verzoekt de raadsman om [betrokkene B], [betrokkene A],
[betrokkene C] en [betrokkene D] als getuige te horen dan wel de zaak terug te wijzen.

Het hof overweegt hierover als volgt.

De ‘Zaak [betrokkene A]’, heeft, naast oplichting van een zekere [betrokkene A], naar de kern weergegeven betrekking op oplichting van de rechtbank Den Haag. Als zodanig maakt die zaak dus geen deel uit van de tenlastelegging. Dat laat onverlet dat de stukken die ook in verband gebracht kunnen worden met oplichting van genoemde [betrokkene A] en de gelden die dat heeft gegenereerd wel onderdeel uitmaken van het procesdossier en als zodanig in ogenschouw genomen kunnen worden bij de beoordeling van het aan de verdachte ten laste gelegde. Naar het oordeel van het hof heeft het Openbaar Ministerie, door – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – bij requisitoir ook die stukken in de beschouwing te betrekken geen geschreven en ongeschreven strafprocesrechtelijke vormvoorschriften geschonden en is evenmin sprake van een handelen in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Naar het oordeel van het hof is het verzoek tot het horen van de getuigen dat in dit verband gedaan is, zo summier onderbouwd dat op grond daarvan de noodzaak om deze personen te horen niet kan worden vastgesteld. Het hof acht het horen van de verzochte personen als getuige overigens evenmin noodzakelijk voor enige in de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT