Uitspraak Nº AWB - 20 _ 4223. Rechtbank Den Haag, 2020-07-30

Datum uitspraak:30 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4223

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

VOF [verzoekster] , te [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),

tegen

Het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Zeeuw).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster gelast om uiterlijk op 30 juni 2020 de strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan op strandvak [vaknummer] te [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden, bij gebreke waarvan verzoekster een dwangsom van € 20.000,- ineens verbeurt.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 24 juni 2020 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken na de uitspraak op dit verzoek.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op een online zitting van 21 juli 2020.

Namens verzoekster is verschenen [A] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoekster pacht de grond op ‘strandvak [vaknummer] ’ en heeft een seizoensgebonden omgevingsvergunning voor een strandpaviljoen op het strand van [plaats] . Dit houdt in dat het strandpaviljoen jaarlijks gedurende de zomerperiode (van 1 februari tot 1 november) op het strand aanwezig mag zijn. Verzoekster had op dit strandvak een strandpaviljoen en acht strandhuisjes staan. Er is ter plaatse een schuin aflopende strandopgang aanwezig.

2.1.

Verzoekster heeft het paviljoen verkleind en twee extra strandhuisjes geplaatst. Omdat er tussen het paviljoen en de eerder geplaatste acht huisjes een strandopgang aanwezig is, zijn de twee nieuwe huisjes bij het paviljoen geplaatst, ten noorden van de strandopgang. Tussen de twee nieuwe strandhuisjes is de afstand 3 meter, gelijk aan de onderlinge afstand tussen de acht eerder geplaatste strandhuisjes.

2.2.

Tijdens een controle op 11 mei 2020 hebben toezichthouders in dienst van verweerder tussen de eerder geplaatste rij van acht strandhuisjes en de nieuwe rij van twee strandhuisjes een afstand gemeten van 10,4 meter. Tussen de nieuwe rij strandhuisjes en het paviljoen is een afstand gemeten van 17,6 meter.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat door het plaatsen van de twee nieuwe strandhuisjes een situatie is ontstaan die in strijd is met artikel 6.2.3, onder p, van het bestemmingsplan. Volgens verweerder schrijft deze bepaling ondubbelzinnig voor dat de onderlinge afstand tussen strandhuisjes overal gelijk is.

Omdat niet kan worden voldaan aan de eisen van het bestemmingsplan, is het plaatsen van de strandhuisjes volgens verweerder een omgevingsvergunningplichtige activiteit. In het bestemmingsplan zijn geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden gegeven. Bovendien is verweerder vanuit beleidsmatig oogpunt niet bereid om af te wijken van het bestemmingsplan. Het toestaan van meer bebouwing op het strand tast de open en luchtige structuur aan en leidt volgens verweerder tot dichtslibbing van het strand. Verweerder is dan ook niet bereid mee te werken aan het legaliseren van de door verzoekster gewenste situatie door een omgevingsvergunning te verlenen waarbij wordt afgeweken van de eis dat de strandhuisjes op een gelijke afstand van elkaar worden geplaatst. Er is daarom geen zicht op legalisatie. Daarnaast is niet gebleken van omstandigheden en belangen die tot het oordeel leiden dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is tot de daarmee te dienen belangen, aldus verweerder. Verweerder heeft verzoeksters daarom gelast om de vastgestelde overtreding uiterlijk op 30 juni 2020 te beëindigen en beëindigd te houden. Verzoekster kan dit feitelijk doen door:

- beide nieuw geplaatste strandhuisjes te verwijderen; of

- één van de nieuw...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT