Uitspraak Nº AWB 20/4005. Rechtbank Den Haag, 2020-07-29

Datum uitspraak:29 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/4005

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2020 in de zaak tussen [eiser], v-nummer [nummer], eiser,

[eiseres] , v-nummer [nummer], eiseres,

samen: eisers

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, via een videoverbinding, plaatsgevonden op 16 juli 2020. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Ook is verschenen [referent] (referent). Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn van Indiase nationaliteit en vragen een visum voor kort verblijf bij referent. Het doel van hun verblijf is ‘toerisme en familie- en vriendenbezoek’.

2. Verweerder heeft de aanvragen van eisers met het primaire besluit afgewezen op grond van artikel 32, lid 1, onder a) ii en onder b) van de Visumcode. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat eisers het doel en de omstandigheden van hun verblijf onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Verder bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum. Eisers hebben niet aangetoond in India over een regelmatig en substantieel inkomen te beschikking om zelfstandig in hun onderhoud te voorzien.

Na het indienen van de gronden van bezwaar heeft verweerder de aanvragen van eisers in het bestreden besluit afgewezen op grond van artikel 32, lid 1, onder a) vi van de Visumcode en artikel 2, lid 21 van de Schengengrenscode. Aan deze afwijzing ligt ten grondslag dat eisers niet in aanmerking komen voor een visum, omdat door de COVID-19-pandemie tijdelijke beperkingen gelden ten aanzien van niet-essentiële reizen naar de Europese Unie (EU) ter bescherming van de volksgezondheid.

Bestuurlijke heroverweging

3. Eisers hebben ter zitting aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit niet mag baseren op een andere weigeringsgrond dan het primaire besluit.

3.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaatsvindt. En dat de bezwaarschriftenprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Door het hanteren van een niet eerder in de procedure ingeroepen weigeringsgrond wordt niet buiten de grenzen getreden die artikel 7:11, eerste lid, van de Awb stelt aan de heroverweging in bezwaar.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit daarom een nieuwe weigeringsgrond mogen hanteren en was verweerder niet gehouden om uitsluitend op de door eisers ingediende bezwaargronden te reageren. De beroepsgrond slaagt niet.

COVID-19-pandemie en individuele beoordeling van de visumaanvraag

4. Eisers voeren aan dat hun visumaanvraag op individueel niveau door verweerder moet worden beoordeeld. Er is sprake van een wereldwijde pandemie en er gelden tijdelijke...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT