Uitspraak Nº C/05/364422 / HA ZA 20-23. Rechtbank Gelderland, 2020-06-24

Datum uitspraak:24 juni 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Gelderland
 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/364422 / HA ZA 20-23

Vonnis van 24 juni 2020

in de zaak van

1. de vereniging

VERENIGING WOEKERPOLIS.NL,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: de Vereniging,

2. de vereniging,

CONSUMENTENBOND,

gevestigd te 's-Gravenhage,

hierna: de Consumentenbond en gezamenlijk met de Vereniging, de Vereniging c.s.,

3. [eiser 3]

wonende te [woonplaats],

hierna: [eiser 3],

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats],

hierna: [eiser 4],

eisers,

advocaat mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

Achmea PENSIOEN- EN LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

hierna: Achmea,

advocaat mr. A.Ch.H. Franken te Amsterdam.

1 De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 januari 2020,

  • -

    de akte overlegging productie aan de zijde van eisers op de rol van 29 januari 2020,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 februari 2020 waaraan gehecht de spreekaantekeningen van mr. Maliepaard en mr. Franken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vorderingen en het verweer
2.1.

De 90 vorderingen die in deze procedure zijn ingesteld zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht en kunnen worden onderverdeeld in drie hoofdonderdelen: de collectieve vorderingen (vorderingen 1 tot en met 45), de vorderingen van [eiser 3] (vorderingen 46 tot en met 67) en de vorderingen van [eiser 4] (vorderingen 68 tot en met 90). De rechtbank heeft de beoordeling in dit vonnis ingedeeld in hoofdstukken naar onderwerp waarbij de collectieve vorderingen worden onderverdeeld zoals hierna genoemd in r.o. 2.2. en ten aanzien van de individuele eisers de beoordeling afzonderlijk plaatsvindt. Ten aanzien van de vorderingen merkt de rechtbank op dat zij het petitum zo begrijpt dat vorderingen 1 tot en met 45 uitsluitend door de Vereniging c.s. zijn ingesteld en niet ook door [eiser 3] en [eiser 4]. Ten behoeve van de duidelijkheid heeft de rechtbank daarom enige in bijlage I cursief gedrukte tussenkopjes toegevoegd aan het petitum. De tekst is verder de letterlijke tekst zoals opgenomen in de procesinleiding.

2.2.

De collectieve vorderingen zien in de kern op de volgende vier verwijten:

a) onvoldoende waarschuwen voor/voorlichten over bijzondere risico’s;

b) onvoldoende waarschuwen voor/informeren over kosten en risicopremies en de hiervan op het op te bouwen vermogen;

c) ontbreken van wilsovereenstemming over de (hoogte van de) kosten en risicopremies;

d) oneerlijke bedingen en oneerlijke handelspraktijken.

2.3.

De onder r.o. 2.2 onder a genoemde bijzondere risico’s die zich ten aanzien van het Vermogensgroeiplan (hierna: VGP) en de Opmaat Verzekering (hierna: Opmaatverzekering) kunnen voordoen zijn, zo stelt de Vereniging c.s.: het crashrisico, het “fata morgana effect” en het “hefboom- en inteereffect”. Het verwijt jegens Achmea over het crashrisico is dat Achmea een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht dat niet bestand is tegen een forse koersdaling. Het fata morgana effect houdt volgens de Vereniging c.s. in dat de voorbeeldberekeningen die Achmea hanteerde onjuist of misleidend zijn. Voor de overige effecten heeft Achmea onvoldoende gewaarschuwd terwijl dit wel op haar weg lag/haar verplichting was.

2.4.

Ten aanzien van r.o. 2.2 onder b heeft de Vereniging c.s. gesteld dat Achmea onjuiste, onvoldoende duidelijke en/of onvolledige informatie heeft verschaft over (de hoogte van) de kosten en risicopremies die aan en het VGP en de Opmaatverzekering zijn verbonden en de invloed daarvan op het te behalen eindresultaat. Hierbij stelt de Vereniging c.s. dat op Achmea de verplichting rustte om te waarschuwen tegen het bijzondere risico dat ten gevolge van de kosten en de wijze waarop deze in rekening werden gebracht, het getoonde voorbeeldkapitaal niet uitgekeerd zou kunnen worden. Bovendien heeft Achmea niet aan de regelgeving voldaan en heeft zij bij het VGP een misleidende brochure gehanteerd.

2.5.

De vorderingen genoemd onder r.o. 2.2 onder c vinden hun grondslag in het ontbreken van contractuele overeenstemming over enkele door Achmea ingehouden kostensoorten dan wel over de hoogte daarvan, althans bestond hierover geen wilsovereenstemming.

2.6.

De Verenging c.s. heeft aangevoerd dat een aantal bedingen uit de door Achmea gehanteerde algemene voorwaarden, die van toepassing zijn op de VGP en de Opmaatverzekering, oneerlijke bedingen zijn in de zin van Richtlijn 93/13. Ook stelt de Vereniging c.s., dat Achmea zich bediend heeft van oneerlijke handelspraktijken als bedoeld in Richtlijn 05/29 en om die reden onrechtmatig heeft gehandeld.

2.7.

De vorderingen van [eiser 3] zien specifiek op de door haar afgesloten VGPpolis en de vorderingen van [eiser 4] zien op de door hem afgesloten Opmaatverzekering. Zij vorderen deels dezelfde verklaringen voor recht als in de collectieve procedure, aangevuld met vorderingen tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voor deze vorderingen geldt dat de beoordeling van de collectieve vorderingen van invloed is op de uitkomst.

2.8.

Achmea heeft de jegens haar gemaakte verwijten betwist en verweer gevoerd. Kort gezegd komt het verweer erop neer dat Achmea steeds alle informatie heeft verstrekt die zij diende te verstrekken op grond van de destijds geldende regelgeving en dat zij haar (potentiële) verzekeringsnemers niet heeft misleid. Er is wel degelijk wilsovereenstemming over de in rekening gebrachte kosten. Er is geen sprake van oneerlijke bedingen en evenmin van oneerlijke handelspraktijken.

COLLECTIEVE VORDERINGEN

3 De feiten ten aanzien van de collectieve vorderingen
3.1.

De Prospectus Spaarkasinschrijvingen van 1 mei 1985 (hierna: de prospectus Spaarkasinschrijvingen) vermeldt, voor zover van belang,:

“(…) Het bedrag van de spaarstortingen wordt op het bewijs van inschrijving vermeld evenals de duur van de overeenkomst. Verder wordt de premie vermeld voor de overlijdensrisicodekking. (…)”

3.2.

In de brochure Spaarkassparen, dat gaat zo! (hierna: de brochure Spaarkassparen) Gehanteerd van 1985 tot 1999 staat, voor zover relevant,:

“(…) De periodieke stortingen zijn opgebouwd uit drie onderdelen: spaarstorting, overlijdensrisicopremie en vergoeding voor de kosten die de maatschappij maakt voor onder meer het administreren en beheren van de jaarkas. De maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zodat ook duidelijk is welk deel wordt belegd. Spaarders ontvangen, meestal één keer per jaar, een overzicht van de meest recente uitkeringsresultaten bij afloop van een jaarkas. (…)”

3.3.

De VGP is een zogenaamde “universal life” verzekering waarvan de premie wordt belegd in beleggingseenheden om vermogen op te bouwen en waarbij de kosten en de premie voor dekking van het overlijdensrisico wordt onttrokken aan de belegde waarde. De premie voor het verzekeringsgedeelte staat niet vast maar wordt gedurende de looptijd aangepast. Het VGP kende een aantal keuzemogelijkheden waaronder flexibele premiebetaling, het kunnen beleggen in aandelenfondsen, mixfondsen en stallingsfondsen, tussentijdse switchmogelijkheden zonder inhouding van kosten en verschillende opties voor een overlijdensrisicodekking.

3.4.

Het VGP werd door verschillende tussenpersonen verkocht in de periode 1996 – 2006. Klanten werd een offerte gestuurd met daarin in ieder geval de begin- en einddatum van de verzekering, het premiebedrag per jaar, een voorbeeldrendement, soms een prognose van het eindkapitaal en de toepasselijke algemene voorwaarden. Na acceptatie van de offerte ontvingen de afnemers het polisblad voor de VGP. Ter ondersteuning van de verkoop was voor consumenten de brochure “Vermogensgroeiplanpolis met de klemtoon op groei” (hierna: de brochure VGP) beschikbaar.

3.5.

Tot het jaar 2000 staat op de polisbladen en in de offertes steeds alleen het bruto premiebedrag vermeld.

3.6.

In een VGP polis uit 2000 is met betrekking tot de kosten onder meer vermeld:

“(…) Gedurende de gehele looptijd geldt een allocatiepercentage van 92,50%. Dit betekent dat er van elke reguliere storting daadwerkelijk 92,50% wordt gebruikt van de aankoop van units. Dit allocatiepercentage zorgt voor een hoge opbouw, direct al vanaf het eerste jaar.

(…)

De beheerskosten zijn reeds op de rendementen in mindering gebracht.

(…)

Gedurende de eerste 10 jaar wordt er maandelijks +/_ fl. 6,- aan de opgebouwde waarde onttrokken. Omdat deze kosten over 10 jaar zijn gespreid, wordt er vanaf het begin een flink bedrag opgebouwd. De maandelijkse administratiekosten bedragen +/_ fl. 10,-.(…)”

3.7.

De brochure VGP vermeldt over kosten:

“(…)

Wat kunt u verwachten.

Om u een zo groot mogelijk kapitaal te laten opbouwen, wordt vrijwel de hele inleg op de door u gekozen manier geïnvesteerd. Slechts een klein deel van de premie wordt gebruikt voor eerste en doorlopende kosten. En ook de kosten voor het verzekeren van het overlijdensrisico zijn laag. Onderstaande tabel geeft u een indruk van het bedrag dat u op de einddatum tegemoet kunt zien. (…)”.

3.8.

Gedurende het tijdvak van beoordeling waren verschillende algemene voorwaarden van toepassing op de VGP. Dit betrof de algemene voorwaarden met nummers 9604, 9804 en 9908. Deze algemene voorwaarden bevatten vergelijkbare voorwaarden ten aanzien van de kosten. In model 9804 is de relevante bepaling over kosten de volgende:

“(…) Artikel 15 Kosten

Kosten, verbonden aan de uitvoering van de verzekering kunnen door Avéro aan de

betrokkene in rekening worden gebracht. (…)”

Verder bevatten de algemene voorwaarden de volgende artikelen...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT