Uitspraak Nº NL20.12478. Rechtbank Den Haag, 2020-07-27

Datum uitspraak:27 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Den Haag
 
GRATIS UITTREKSEL
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12478


uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Hogervorst).

Procesverloop

Op 15 juni 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit

op zijn aanvraag van 19 oktober 2019 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Op grond van het tweede lid, voor zover hier van belang, verbindt de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

Op grond van het derde lid, voor zover hier van belang, kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen een andere termijn bepalen.

2. Eiser heeft verweerder op 3 mei 2020 in gebreke gesteld. Verweerder heeft erkend dat de beslistermijn is overschreden. Omdat tot op heden nog geen beslissing op de aanvraag van eiser is genomen, is het beroep kennelijk gegrond.

3. De rechtbank heeft bij brief van 16 juni 2020 aan verweerder gevraagd om alle stukken in te dienen die op de zaak betrekking hebben en om een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft bij brief van 29 juni 2020 uitgebreid verweer gevoerd.

3.1.

In die brief heeft verweerder het standpunt ingenomen dat geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd zijn sinds 16 maart 2020, omdat door het coronavirus sprake is van een overmachtssituatie. Verweerder stelt door de genomen maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus nu geen uitspraken te kunnen doen omtrent de vraag...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT