Uitspraak Nº Parketnummer 13.099561.20. Rechtbank Amsterdam, 2020-07-27

Datum uitspraak:27 juli 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.099561.20

Datum uitspraak: 27 juli 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van [naam instelling 1] ,

thans gedetineerd te: JJI [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leeman en van wat verdachte en haar raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [medewerker jeugdzorg] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de ouders van verdachte, bijgestaan door mr. S. Oedit Doebé (raadsvrouw in de civielrechtelijke procedure die gelijktijdig is gevoerd), naar voren is gebracht.

Gehoord is ook mevrouw I. van den Bogerd, psycholoog van GGZ-instelling [naam instelling 1] te [plaats] .

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 13 april 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer brandwonden op de schouder en/of de (linker)pols en/of de (boven)rug en/of de nek en/of de hoofdhuid, althans op het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft toegebracht (met een of meer blijvende litteken(s) en/of blijvende ontsieringen) door met een waterkoker een

hoeveelheid heet/gekookt water over het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te gooien en/of te gieten;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 13 april 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een waterkoker een hoeveelheid heet/gekookt water over het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gegooid en/of gegoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier volgt namelijk onvoldoende dat het door verdachte toegebrachte letsel bij [slachtoffer] kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier volgt dat verdachte - even daarvoor - gekookt water vanuit de waterkoker over het hoofd en lichaam van slachtoffer [slachtoffer] heeft gegoten. Door zo te handelen heeft zij op zijn minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Met de officier van justitie acht de rechtbank dan ook de poging tot zware mishandeling bewezen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ omdat ondanks aanwijzingen in die richting niet is komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Hiermee volgt de rechtbank het standpunt van de officier van justitie en de raadsman.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

op 13 april 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een waterkoker een hoeveelheid heet/gekookt water over het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gegoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel). In dat kader dient verdachte als bijzondere voorwaarde mee te werken aan haar verblijf en behandeling bij [naam instelling 1] . Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarde en het toezicht en de begeleiding vanuit JBRA dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ook behandeld wil worden bij [naam instelling 1] . Maar die plaatsing kan in het kader van de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) worden gerealiseerd. Dit minder verstrekkende kader volstaat en wordt ook geadviseerd door de Pro Justitia deskundigen. Gelet op de problematiek dient de afdoening zo ver mogelijk weg van het strafrechtelijke kader te blijven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit. Zij heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te overgieten met net gekookt water. Beide meiden verbleven op dat moment in [naam instelling 2] , een instelling voor gesloten jeugdhulp. Verdachte was kennelijk kwaad op [slachtoffer] en heeft uit woede gehandeld. [slachtoffer] heeft hierdoor forse eerste- en tweedegraads brandwonden opgelopen op haar lichaam. Zij heeft veel pijn gehad en zij houdt mogelijk blijvende littekens over op haar arm. [slachtoffer] is nog steeds angstig, kan mensen minder snel vertrouwen en zit met de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT