Cassatie van Hoge Raad, December 18, 2012

Datum uitspraak:2012/12/18
Uitgevende instantie::Hoge Raad
SAMENVATTING

CONCLUSIE PG A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaken met nummers 12/00637 en 12/00641 naar aanleiding van de beroepen in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën en de incidentele beroepen in cassatie van belanghebbenden, tegen de uitspraken van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 december 2011 met nummers BK-10/00253 en BK-10/00254. Erflater woonde in zijn eigen woning tot zijn overlijden een aantal jaren samen met B. Erfgenamen zijn de beide zonen van erflater, belanghebbenden. Er is tijdens het leven van erflater een afspraak gemaakt dat B tot haar dood om niet mocht blijven wonen in de eigen woning van erflater. Die afspraak is mondeling gemaakt. Er is niet bij testament of notariële akte een recht op (voortgezette) bewoning van de eigen woning van erflater toegekend. De zonen van erflater hebben B na het overlijden van erflater laten wonen in de woning tot aan haar dood. Kennelijk met respectering van die afspraak. Het Hof heeft de afspraak gekwalificeerd als derdenbeding, aldus dat erflater met zijn zonen 'de afspraak heeft gemaakt dat B na het overlijden van... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

Derde kamer - uitspraak volgt

Nrs. Hoge Raad: 12/00637 en 12/00641

Nrs. Gerechtshof: 10/00253 en 10/00254

Nrs. Rechtbank: 09/6944 en 09/7258

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. R.L.H. IJZERMAN

ADVOCAAT-GENERAAL

Derde Kamer B

Successierecht 2003

Conclusie van 18 december 2012 inzake:

Staatssecretaris van Financiën

tegen

X1

en

X2

  1. Inleiding

    1.1 Heden neem ik conclusie in de zaken met nummers 12/00637 en 12/00641 naar aanleiding van de beroepen in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris), tegen de uitspraken van het gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) van 21 december 2011 met nummers BK-10/00253 en BK-10/00254, LJN BV2221, NTFR 2012/1152 met noot Schoenmaker. X1(1) en X2(2) (hierna: belanghebbenden) hebben incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

    1.2 In geschil zijn de door de Inspecteur(3) aan belanghebbenden opgelegde aanslagen in het recht van successie over hetgeen zij krachtens erfrecht hebben verkregen door het overlijden van hun vader A (hierna: erflater) op 12 december 2003. Het geschil spitst zich toe op de eigen woning van erflater. Op het tijdstip van overlijden woonde erflater in zijn eigen woning samen met B. Na het overlijden van erflater is zij in deze woning blijven wonen tot haar plotselinge overlijden op 3 augustus 2004.

    1.3 De voortgezette bewoning van de eigen woning van erflater door B is niet bij testament of notariële akte vastgelegd. Het Hof heeft overwogen dat het 'geloof [hecht - RIJ] aan de verklaring van belanghebbende dat erflater met hem en zijn broer de afspraak heeft gemaakt dat B na het overlijden van erflater om niet in de woning mocht blijven wonen en dat B deze - als derdenbeding te kwalificeren - afspraak voor het overlijden van erflater heeft aanvaard.'(4)

    1.4 In deze conclusie gaat het om de vraag wat de voortgezette bewoning van de eigen woning van erflater door B betekent voor de berekening van de hoogte van de verkrijging van de belanghebbenden.

    1.5 In de principale beroepen in cassatie heeft de Staatssecretaris gesteld dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval de last van het aanvaarde derdenbeding in mindering kan worden gebracht op de erfrechtelijke verkrijging van belanghebbenden.

    1.6 In deze conclusie zal ik in twijfel trekken of de hier gemaakte afspraak is aan te merken als een derdenbeding. Zonder dat kan er ook geen sprake zijn van een waardedrukkende last. Vervolgens rijst de vraag welke overeenkomst in feite is gesloten en wat die betekent voor een eventuele waardedrukkende werking.

    1.7 In de incidentele beroepen stellen belanghebbenden onder meer dat een proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure moet worden toegekend.

    1.8 De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 worden de feiten en het geding in feitelijke instanties weergegeven, gevolgd door een beschrijving van het geding in cassatie in onderdeel 3. Onderdeel 4 omvat een overzicht van relevante regelgeving(5), wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur.(6) In onderdeel 5 wordt gekomen tot een beschouwing en vindt de beoordeling plaats van de cassatiemiddelen, gevolgd door de conclusie in onderdeel 6.

  2. De feiten en het geding in feitelijke instanties

    2.1 Het Hof heeft de feiten als volgt vastgesteld:(7)

    3.1. Op 12 december 2003 is A (hierna: erflater) overleden. Op het tijdstip van overlijden was hij weduwnaar. Zijn zoons X1 en X2 zijn zijn erfgenamen.(8)

    3.2. Op het tijdstip van overlijden woonde erflater samen met B (hierna: B) in zijn eigen woning. Na het overlijden van erflater is zij in deze woning blijven wonen tot haar plotselinge overlijden op 3 augustus 2004.

    3.3. Er is aangifte gedaan van een nalatenschap van erflater van € 1.606.042.(9) De waarde van de eigen woning is aangegeven naar een bedrag van € 360.000. De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik is, blijkens de toelichting bij de aangifte, bij minnelijke waardering vastgesteld op € 450.000. Er is in de aangifte een waardedrukkende factor van 20 percent in aanmerking genomen in verband met de bewoning van de woning door B. Daarbij is uitgegaan van een nog resterende, gemiddelde levensverwachting voor haar van 4,1 jaar. (10)

    3.4. Bij brief van 30 maart 2005 heeft de Inspecteur de erven medegedeeld dat hij voornemens is bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte af te wijken. De waarde van de woning heeft hij vastgesteld op € 450.000. Een waardedruk in verband met de bewoning van de woning door B heeft hij niet in aanmerking willen nemen.(11)

    3.5. De Inspecteur heeft de nalatenschap vastgesteld op € 1.696.042. Bij ieder van de erfgenamen is een verkrijging in aanmerking genomen van € 848.021.(12)

    2.2 Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslagen in het successierecht.(13) Belanghebbenden zien de voornoemde afspraak als een waardedrukkende factor op hun verkrijging. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen en de belastingaanslagen gehandhaafd.(14)

    Rechtbank

    2.3 Belanghebbenden hebben beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de Rechtbank).(15)

    2.4 De Rechtbank heeft het geschil als volgt omschreven:

    3.5 In geschil is de beantwoording van de vraag of de waarde van de woning per de overlijdensdatum voor de volle waarde in het economische verkeer in de heffing dient te [worden - RIJ] betrokken.

    3.6 Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en betoogt dat aan het moreel woonrecht van wijlen B een waardedrukkende factor dient te worden toegekend. Dit brengt mee, aldus eiser, dat een afwaardering van € 90.000 dient te worden toegepast, zodat de waarde van de woning op € 360.000 dient te worden bepaald.

    3.7 Verweerder beantwoordt de vraag bevestigend, zodat moet worden uitgegaan van een waarde van € 450.000, zijnde de waarde in het economische verkeer. Hij voert dienaangaande aan dat sprake is van bewoning zonder recht of titel zodat geen waardedrukkend effect aan het "woonrecht" kan worden toegekend.

    2.5 De Rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen:

    3.8 (...) Uitgangspunt voor de heffing van successierecht is dat het verkregene op grond van het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de Successiewet, in aanmerking wordt genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.

    Onder de waarde in het economische verkeer van een woning moet in dit verband worden verstaan de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed. Indien op het tijdstip van de verkrijging met betrekking tot een woning geen sprake is van een gebruiksrecht dat werking zou hebben tegen (markt-)gegadigden voor die woning (zoals bijvoorbeeld een recht van vruchtgebruik, een recht van gebruik en/of bewoning, een huurrecht), dient onder aanbieding op de meest geschikte wijze te worden verstaan: aanbieding tot (op)levering in ontruimde staat (vgl. Hoge Raad 6 april 2007, nr. 41.720, LJN: AX0771).

    3.9 Het betoog van eiser dat wijlen B een moreel woonrecht heeft, dat van invloed is op de waardering van de woning kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op het vorenoverwogene niet slagen. Gesteld noch gebleken is dat er in het onderhavige geval sprake is van een persoonlijk of zakelijk recht dat bij verkoop van het huis aan derden kan worden tegengeworpen. Zowel vóór als na de verkrijging was er geen sprake van bewoning gebaseerd op een formeel huurrecht of een zakelijk recht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van de volle waarde in het economische verkeer.

    2.6 De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

    Hof

    2.7 Belanghebbenden hebben tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

    2.8 Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:

    4.1. In geschil is primair of bij de waardering van de woning een waardedrukkend effect in aanmerking genomen mag worden in verband met de bewoning van de woning door B en subsidiair of sprake is van een lastbevoordeling waarvan de last in mindering komt op de verkrijging door belanghebbende.

    2.9 Het Hof heeft ten aanzien van het geschil overwogen:

    7.1. Op het tijdstip van de onderhavige verkrijging bevatte de Successiewet 1956 (hierna: SW) niet een specifiek op de eigen woning toepasselijk waarderingsvoorschrift. De waarde van de eigen woning dient daarom te worden bepaald met toepassing van het algemene waarderingsvoorschrift van artikel 21, eerste lid, SW dat als volgt luidt: 'Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend'.

    7.2. Beide partijen verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2007, BNB 2007/194c. Daarin is geoordeeld dat, indien op het tijdstip van de erfrechtelijke verkrijging met betrekking tot een woning geen sprake is van een (eventueel bij testament van de erflater toegekend) gebruiksrecht dat werking zou hebben tegen (markt)gegadigden voor die woning (zoals bijvoorbeeld een recht van vruchtgebruik, een recht van gebruik en/of bewoning, een huurrecht), onder aanbieding op de meest geschikte wijze dient te worden verstaan: aanbieding tot (op)levering in ontruimde staat.

    Nu niet aannemelijk geworden is dat sprake is van een gebruiksrecht in de vorenbedoelde zin, moet in zoverre worden geconcludeerd dat de Inspecteur terecht is uitgegaan van de volle waarde in het economische verkeer.

    7.3. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een last, welke door de erflater aan hem en zijn mede-erfgenaam is opgelegd, en waarvan de waarde in mindering dient te komen op de verkrijging. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van belanghebbende dat erflater met hem en zijn broer de afspraak heeft gemaakt dat B na het overlijden van erflater om niet in de woning...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT