Hoger beroep van Centrale Raad van Beroep, 4 april 2013

Datum uitspraak: 4 april 2013
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Weigering voordracht voor benoeming tot rechter. Beroep van verweerder op niet-ontvankelijkheid bezwaar faalt. Verweerder is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het negatieve advies niet op onvoldoende gronden berust. Dit brengt mee dat het besluit van 20 maart 2012 niet door de daaraan ten grondslag gelegde motivering kan worden gedragen. Het bestreden besluit waarbij dat besluit is... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

12/4739 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het bestuur van de rechtbank Zeeland-West-Brabant als rechtsopvolger van het bestuur van de rechtbank Middelburg (verweerder)

Datum uitspraak 4 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 juli 2012 (bestreden besluit), waarbij haar bezwaar tegen het besluit van verweerder van 20 maart 2012 om haar opleiding tot rechter te beëindigen en haar niet voor benoeming voor te dragen, ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2013. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat, mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. G.H. Nomes.

OVERWEGINGEN

  1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.

  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

    2.1. Appellante is met ingang van 1 november 2010, in het kader van haar opleiding tot rechter, benoemd tot bezoldigd rechter-plaatsvervanger. Als opleidingsplaats is de rechtbank Middelburg aangewezen. Daar is voorzien in een opleidingsperiode van twaalf maanden, waarbinnen appellante van 1 november 2010 tot 1 mei 2011 wordt opgeleid in de sector bestuursrecht, en van 1 mei 2011 tot 1 november 2011 in de sector strafrecht. Appellante heeft de opleidingsperiode in de sector bestuursrecht met een positieve evaluatie afgesloten en heeft haar opleiding vervolgens conform de gemaakte afspraken op 1 mei 2011 voortgezet in de sector strafrecht.

    2.2. Op 29 augustus 2011 hebben de opleiders van appellante een evaluatiegesprek met haar gevoerd. Tijdens dat gesprek is opgemerkt dat appellante over het algemeen positief wordt beoordeeld. Zij laat, aldus het gespreksverslag, zien dat ze in ieder geval over de meeste competenties beschikt die voor het rechterswerk nodig zijn. Ze heeft een goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid, ze is contactvaardig en collegiaal, let op werkverhoudingen en heeft zelfreflectie getoond. Haar optreden ter zitting is zonder meer goed. Wel is opgevallen dat appellante niet altijd de kern van de zaak weet te raken en zich soms bedient van wollig taalgebruik, hetgeen bij de opleiders tot enige twijfel aan haar analytisch vermogen heeft geleid. De opleiders schrijven dit mede toe aan omstandigheden binnen de rechtbank, die tot gevolg hebben gehad dat appellante nog niet alle kans heeft gehad zich op genoemd punt te bewijzen. Hierin en in appellantes gebrek aan ervaring op het terrein van het strafrecht, zien de opleiders aanleiding het bestuur te verzoeken de opleiding van appellante te verlengen tot 1 januari 2012.

    2.3. Op 5 september 2012 heeft de sectorvoorzitter strafrecht verweerder geadviseerd om de voorgestelde verlengingsbeslissing nu niet te nemen, dit gelet op enerzijds het feit dat een aantal aspecten van de opleiding mogelijk aan de ontwikkeling in de weg hebben gestaan, en anderzijds het feit dat het bij een eventuele verlenging slechts gaat om één onderwerp, namelijk het soms missen van de pointe van een zaak. Overigens is, aldus de sectorvoorzitter, de beoordeling positief. Appellante heeft extra zittingen gekregen zodat zij deze periode meer in de gelegenheid is om zich te laten zien.

    2.4. Appellante heeft op 1 september 2011 en op 13 oktober 2011 samen met een van haar opleiders deelgenomen aan zittingen van een meervoudige kamer. De betrokken opleider heeft op basis van deze beide zittingen geconcludeerd dat er vraagtekens zijn bij de competenties luisteren en mondelinge uitdrukkingsvaardigheid (oftewel: communicatie ter zitting) en prioritering (tijdmanagement). Op grond hiervan heeft hij op 20 oktober 2011 geadviseerd tot verlenging van de...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT