Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet

Besluit van 9 december 2020 tot wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Invoeringsbesluit Omgevingswet en enkele andere besluiten met het oog op de beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister voor Milieu en Wonen van 3 april 2020, nr. IENW/BSK-2020/60060, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken; Gelet op de richtlijn omgevingslawaai, de artikelen 2.10, vierde lid, 2.11a, 2.24, eerste en derde lid, 2.25, eerste lid, onder a, onder 1°, 2°, 4° en 9°, en onder b, 2.26, derde lid, 2.27, onder f, 2.28, onder d, 2.29a, 2.43, 3.10, tweede lid, onder b, 4.3, eerste lid, 5.18, eerste lid, 5.52, tweede lid, onder b, en derde lid, 16.1, tweede lid, 16.24a, 16.139, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder k, 18.2, zesde lid, 20.1, derde lid, 20.2, eerste en zesde lid, 20.6, eerste lid, 20.10, eerste lid, onder a, 20.14, derde, vierde en vijfde lid, en 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet, artikel 59, vierde lid, van de Spoorwegwet, artikel 18, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, en 3.7 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 juli 2020, nr. W17.20.0094/IV);Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 2 december 2020, nr. IENW/BSK-2020/223591, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, mede uitgebracht namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 WIJZIGINGEN IN DE UITVOERINGSREGELGEVING VAN DE OMGEVINGSWET Artículos 1 a 22.276
ARTIKEL I

BESLUIT KWALITEIT LEEFOMGEVING.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:AArtikel 1.1a wordt als volgt gewijzigd:1. «2.11, tweede lid» wordt vervangen door «2.10, vierde lid, 2.11, tweede lid, 2.11a». 2. Na «2.41, tweede lid,» wordt ingevoegd «2.43, eerste en tweede lid,». 3. «20.2, eerste, vierde en vijfde lid,» wordt vervangen door «20.2, eerste, vierde, vijfde en zesde lid,». 4. Na «van de wet» wordt ingevoegd «en artikel 3.7 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet». BIn artikel 1.2 wordt «de artikelen 10.11b, 10.16 en 10.37» vervangen door «de artikelen 11.21, 11.38 en 11.66». CArtikel 2.0, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:1. Aan het slot van onderdeel a vervalt «en». 2. Aan het slot van onderdeel b wordt de punt vervangen door «; en». 3. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende: c. geluidproductieplafonds als omgevingswaarden die niet op grond van afdeling 2.3 van de wet zijn vereist. DIn artikel 3.8 wordt «artikel 10.21, derde lid» vervangen door «artikel 11.44, derde lid». EAfdeling 3.5 komt te luiden:

Afdeling 3 5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Artículos 3.18 a 12.13

§ 3.5.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.18

(toepassingsbereik).

1. Deze afdeling is van toepassing op het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. 2. Bij de toepassing van deze afdeling worden geluidgevoelige gebouwen in aanmerking genomen die: a. zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; en b. geheel of gedeeltelijk in een geluidaandachtsgebied liggen. 3. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van toepassing op het geluid: a. op een geluidgevoelig gebouw dat op een industrieterrein ligt; of b. op een niet-geluidgevoelige gevel. 4. In afwijking van het tweede lid wordt een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar niet in aanmerking genomen.

Artikel 3.19

(begripsbepaling).

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder woonschip verstaan: drijvend bouwwerk met een woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip.

Artikel 3.20

(geluidaandachtsgebied).

1. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde in Lden, bedoeld in tabel 3.34. 2. Op het bepalen van het geluidaandachtsgebied zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.21

(geluidgevoelige gebouwen).

1. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. 2. Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte van het gebouw geen geluidgevoelige ruimten toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is. 3. Onder een geluidgevoelig gebouw wordt ook verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.

Artikel 3.22

(geluidgevoelige ruimten).

1. Een geluidgevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. 2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, worden ruimten in woonschepen en woonwagens niet als geluidgevoelig beschouwd.

Artikel 3.23

(waar waarden gelden).

Standaardwaarden en grenswaarden voor geluid gelden:a. op een geluidgevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: 1°. op de gevel, als het gaat om een geluidgevoelig gebouw; en 2°. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw; b. op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen, als het gaat om een woonschip of woonwagen; en c. in de geluidgevoelige ruimte, als het gaat om een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 3.24

(bepalen geluid door wegen en spoorwegen).

1. Bij het bepalen van het geluid door een weg of spoorweg wordt voor de geluideigenschappen van een wegdek of een spoorconstructie uitgegaan van de geluideigenschappen zoals die gemiddeld...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT