Besluit van 24 november 2020 op het beroep van de Raad van Ministers van Curaçao tegen het Besluit van 12 juli 2019, houdende het geven van een aanwijzing aan het bestuur van Curaçao tot aanpassing van de begroting 2019, rekening houdend met de in artikel 15 van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten genoemde normen

Besluit van 24 november 2020 op het beroep van de Raad van Ministers van Curaçao tegen het Besluit van 12 juli 2019, houdende het geven van een aanwijzing aan het bestuur van Curaçao tot aanpassing van de begroting 2019, rekening houdend met de in artikel 15 van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten genoemde normen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Beschikken bij dit besluit op het beroep, ingesteld door de Raad van Ministers van Curaçao bij brief van 23 augustus 2019, tegen Ons besluit van 12 juli 2019, Stb. 279; Gelet op het ontwerpbesluit van de Raad van State van het Koninkrijk inzake de beslissing op het beroep, ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (aangeboden bij brief van 5 december 2019, nr. W04.19.0286/I/K), dat uitsluitend is gebaseerd op rechtmatigheidsgronden; Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 november 2020, Directoraat-Generaal Koninkrijksrelaties, nr. 2020-0000649538 1.1 Overzicht van het geschilBij besluit van 12 juli 2019, Stb. 279, hebben Wij een aanwijzing gegeven aan het bestuur van Curaçao tot aanpassing van de begroting 2019, rekening houdend met de in artikel 15 van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten genoemde normen (hierna: de Aanwijzing). In deze Aanwijzing is ook de verplichting opgenomen om ontstane tekorten uit de jaren 2017 en 2018 te compenseren door overschotten op de begroting in de jaren 2020, 2021 en 2022, en de kortlopende schulden aan de Sociale Verzekeringsbank van Curaçao (SVB) en het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao (APC) uiterlijk in 2022 af te lossen. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (hierna: de Rijkswet) kan tegen een koninklijk besluit als bedoeld in de Rijkswet, houdende een of meer aanwijzingen, bij Ons beroep worden ingesteld. De Raad van State van het Koninkrijk is belast met het voorbereiden van het ontwerpbesluit inzake de beslissing op het beroep. De Raad van Ministers van Curaçao heeft bij brief van 23 augustus 2019 bij Ons beroep ingesteld. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (destijds: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) heeft op 30 september 2019 een verweerschrift ingediend. De Raad van Ministers van Curaçao en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben desgevraagd een nadere uiteenzetting gegeven. De Raad van State van het Koninkrijk heeft een commissie belast met het onderzoek in de zaak en de voorbereiding van de voordracht van het koninklijk besluit tot beslissing op het beroep. De commissie, bestaande uit de staatsraden Lubberdink (voorzitter), Vermeulen, Schwengle, Comenencia en De Grave, heeft op 14 november 2019 de Raad van Ministers van Curaçao, vertegenwoordigd door drs. E. de Lannooy, L. Melfor Msc, E. Martis Bsc en mr. I. Schotborgh, bijgestaan door mr. A.B. van Rijn, advocaat te Leiden, en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als vertegenwoordiger van Ons, vertegenwoordigd door mr. drs. J.W. Severijnen, mr. M.G.T. van Leyenhorst en M.B.J. Hagoort MA, gehoord in een openbare zitting (hierna: de zitting). De Raad van State van het Koninkrijk heeft het ontwerpbesluit besproken en vastgesteld in de Afdeling advisering. 1.2 Het wettelijk kaderVoor de tekst van de relevante bepalingen uit de Rijkswet wordt verwezen naar de bijlage bij dit Koninklijk Besluit die hiervan deel uitmaakt. 2. Overwegingen2.1. BeoordelingskaderHet opstellen en uitvoeren van de begrotingen voor het land Curaçao behoort tot de aangelegenheden van het land (Kamerstukken II 2008/09, 32 026 (R 1888), nr. 3, p. 3). Dit dient evenwel binnen de kaders van de in de Rijkswet gegeven voorschriften plaats te vinden. Achtergrond van de invoering van het correctiemechanisme in de Rijkswet is dat Nederland bij de opheffing van het land Nederlandse Antillen in 2010 een oplossing heeft geboden voor de schuldenproblematiek van het land Nederlandse Antillen door een belangrijk deel van deze schulden over te nemen. In het kader van het creëren en continueren van een gezonde financiële huishouding is ook geconcludeerd dat er gezamenlijk afspraken moeten worden gemaakt over een deugdelijk begrotingsbeleid, het op orde brengen van het financieel beheer en een effectief financieel toezicht ter voorkoming van nieuwe schuldenopbouw (Kamerstukken II 2008/09, 32 026 (R1888), nr. 3, p. 3). De Rijkswet, die gebaseerd is op consensus als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk, strekt hiertoe. De Rijkswet voorziet in een stelsel van toezicht op de naleving van de in de Rijkswet neergelegde randvoorwaarden voor het opstellen en uitvoeren van begrotingen. De centrale normstelling is neergelegd in artikel 15 van de Rijkswet. Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft) heeft ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Rijkswet onder meer als taak toezicht te houden op de toepassing door de landen van deze normen bij het opstellen en de uitvoering en verantwoording van de begroting, het houden van toezicht op de verbetering van het financieel beheer en het rapporteren en adviseren aan de regering van het Koninkrijk. Het Cft beoordeelt de begroting uitsluitend op begrotingstechnische aspecten en begeeft zich niet in een beleidsmatige beoordeling van de begroting (Kamerstukken 2008/09, 32 026 (R 1888), nr. 3, blz. 3). De Koninkrijksregering kan, op advies van het Cft en in overeenstemming met de conclusie van de Raad van Ministers van het Koninkrijk, bindende aanwijzingen geven, aldus artikel 13, vijfde en zesde lid, van de Rijkswet. Zoals eerder overwogen in het koninklijk besluit van 2 november 2012, Stb. 2012, 535, stelt de autonomie van de landen bij het opstellen en uitvoeren van de begroting en het karakter van het begrotingsproces grenzen aan de bevoegdheid van de Koninkrijksregering om op grond van de Rijkswet een aanwijzing te geven. Dit brengt mee dat terughoudendheid dient te worden betracht bij het geven van een aanwijzing, dat de inhoud van een aanwijzing moet voldoen aan het vereiste van...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT