Uitspraak Nº 13/994015-19. Rechtbank Amsterdam, 2020-02-26

Datum uitspraak:26 februari 2020
Uitgevende instantie::Rechtbank Amsterdam
 
GRATIS UITTREKSEL

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-994015-19

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-994015-19

Datum uitspraak: 26 februari 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1993,

wonende op het adres [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2020. Verdachte was bij de behandeling van haar strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Huisman, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. J.C. Reisinger, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging
2.1

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het samen met een ander (als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis) opslaan/voorhanden hebben van 215 kg professioneel vuurwerk voor particulier gebruik in Muiden

dan wel het medeplichtig zijn daaraan;

2. het samen met een ander, in Muiden, voorhanden hebben van 215 kg vuurwerk op een plaats die niet geschikt is voor het opslaan van dat vuurwerk, dan wel het medeplichtig zijn daaraan.

2.2.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs
3.1

Aanleiding van het onderzoek

Op 21 december 2019 komt een melding bij de politie binnen dat iemand illegaal vuurwerk aanbiedt op Facebook. In de printscreen van de advertentie stond onder meer dat er nitraten te koop werden aangeboden. Hierbij stonden de prijzen vermeld en hoe je het vuurwerk kon bestellen via Snapchat en Telegram. Er is vervolgens een pseudokoop opgestart door de politie. Hierbij is opdracht gegeven tot de aankoop van een hoeveelheid vuurwerk via Telegram, via de aanbieder [aanbieder] . Deze aanbieder is gekoppeld aan het telefoonnummer * [telefoonnummer] , dat na onderzoek op naam blijkt te staan van [medeverdachte] (hierna: medeverdachte).

Op 27 december 2018 is een verbalisant een chat gestart met [aanbieder] met de vraag of hij nog beschikt over het aangeboden vuurwerk. Deze verbalisant heeft drie kartonnen besteld. Ze spreken af voor dezelfde datum om 19.00 uur bij het WTC Almere. [aanbieder] stuurde een bericht: “App maar * [telefoonnummer] ”.

Om ongeveer 19.00 uur parkeerden verbalisanten tegenover een zwarte Opel Corsa, waarin twee personen zaten. Deze personen tilden drie dozen uit de kofferbak van de Opel en zetten die op de achterbank van het voertuig waarmee verbalisanten zijn gekomen. Vervolgens arriveerde de ondersteuningsgroep, waarna de twee personen wegrenden. Na een achtervolging wordt medeverdachte aangehouden.

De drie dozen vuurwerk zijn in beslag genomen. In de woning van medeverdachte is 45,6 kg (illegaal) vuurwerk in beslag genomen.

Vervolgens is er een onderzoek ingesteld naar het Facebookaccount van medeverdachte. Hier worden Facebookberichten aangetroffen tussen medeverdachte en ‘ [verdachte] ’. Uit onderzoek blijkt dat ‘ [verdachte] ’ verdachte is, wonend op het adres [adres] . In de berichten wordt gesproken over het bewaren van vuurwerk bij verdachte. In de schuur van verdachte wordt 215 kg illegaal vuurwerk in beslag genomen.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is aan het opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk (feit 1 meer subsidiair). Ook vindt hij dat bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is aan het opslaan van vuurwerk in een inrichting (een schuur nabij de woning) die niet geschikt is voor het opslaan van vuurwerk (feit 2 subsidiair).

3.3

Het standpunt van de verdediging

3.3.1

Bewijsverweren

De verdediging heeft zich primair aangesloten bij een aantal verweren die in de zaak tegen de medeverdachte naar voren zijn gebracht.

Strijd met het nemo teneturbeginsel

In de zaak tegen medeverdachte is naar voren gebracht dat de tussen verdachte en medeverdachte gevoerde Facebookconversatie onrechtmatig is verkregen en dat dit niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Van medeverdachte zijn de wachtwoorden van zijn laptop en telefoon gevorderd op grond van artikel 24a van de Wet op de economische delicten (WED). Verbalisanten hebben hem gezegd dat het niet voldoen aan de vordering een misdrijf is. Vervolgens zijn de wachtwoorden van zijn sociale media accounts gevraagd, waarna medeverdachte toegang heeft gegeven tot zijn laptop, smartphone en sociale media accounts. De raadsman van medeverdachte is van mening dat de vordering op grond van artikel 24a WED in strijd is met het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) beschermde nemo teneturbeginsel omdat:

  • -

    het gaat om wilsafhankelijk materiaal (een wachtwoord dat door verdachte is bedacht is wilsafhankelijk);

  • -

    het materiaal dat door de vordering is verkregen een centrale plaats in de onderbouwing van de verdenking inneemt;

  • -

    op het niet voldoen aan de vordering een strafbedreiging van meer dan zes maanden staat;

  • -

    het gaat om privacygevoelig materiaal.

De vordering voor het verstrekken van wachtwoorden voor laptop, smartphone en sociale media accounts is daarom onrechtmatig gegeven, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim is, aldus de raadsman van de medeverdachte. Hierdoor is medeverdachte in zijn belangen geschaad. Hij heeft immers moeten meewerken aan zijn eigen veroordeling. Hierop heeft uitsluiting te volgen van de informatie die is verkregen naar aanleiding van de onrechtmatige vordering, te weten:

  • -

    het proces-verbaal met bijlagen van het onderzoek naar de laptop,

  • -

    het proces-verbaal met bijlagen van het onderzoek naar de sociale media accounts,

  • -

    het proces-verbaal binnentreden bij verdachte,

  • -

    het verhoor van verdachte waarbij zij wordt geconfronteerd met de in strijd met het nemo teneturbeginsel verkregen informatie en

  • -

    alle overige informatie die is verkregen als gevolg van de verkregen wachtwoorden.

Als de rechtbank van oordeel is dat in de zaak tegen medeverdachte bewijsuitsluiting moet volgen, heeft deze uitsluiting ook te gelden in de zaak tegen verdachte. Zonder dit vormverzuim zou verdachte immers nooit in beeld gekomen zijn. Er is dus sprake van belastend bewijs tegen verdachte dat voortkomt uit onrechtmatig verkregen bewijs. De consequenties die in de zaak tegen medeverdachte worden getrokken, hebben ook te gelden voor verdachte.

Ongeoorloofde netwerkzoeking

Volgens het gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2018:3529) is een netwerkzoeking op een andere locatie en een ander moment dan die waarop de doorzoeking heeft plaatsgevonden, niet in de huidige wet voorzien. Vastgesteld moet worden dat er sprake is geweest van een ongeoorloofde netwerkzoeking door in te loggen in de sociale media accounts van medeverdachte vanaf een politiecomputer via het internet recherche netwerk, waarbij de gegevens waren opgeslagen op computers/providers elders. Niet gebleken is dat de toestemming van medeverdachte voor onderzoek aan zijn sociale media accounts zover reikte dat dit tevens inhield onderzoek aan de gegevens die niet op zijn telefoon waren opgeslagen. In zoverre is sprake van een onherstelbaar vormverzuim waarvan medeverdachte nadeel heeft ondervonden. Dit heeft te resulteren in uitsluiting van bewijs dat is verkregen door het inzien van de sociale media accounts van medeverdachte.

Ook hier geldt dat bewijsuitsluiting in de zaak tegen medeverdachte ook heeft te gelden in de zaak tegen verdachte.

Niet kunnen vaststellen dat van het vuurwerk dat door het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (COV)is onderzocht niet kan worden vastgesteld dat dit in Muiden is aangetroffen.

De raadsman voert aan dat het vuurwerk dat is onderzocht door het COV niet kan worden gelinkt aan het vuurwerk dat bij verdachte in beslag is genomen. In het vuurwerkrapport van 15 februari 2019 (doorgenummerde pagina 170 e.v.) wordt verwezen naar het BHV-nummer, dat gelijk is aan het algemene PV-nummer 2018368347 dat ziet op het gehele opsporingsonderzoek. Op de onderzochte partij staat een label met een streepjescode, het algemene PV-nummer en volgnummer A. De streepjescode en het volgnummer zijn niet te herleiden naar de in Muiden in beslag genomen partij vuurwerk. De streepjescode en het algemene...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT