Uitspraak Nº 14/02785. Hoge Raad, 2018-06-29

Datum uitspraak:29 juni 2018
 
GRATIS UITTREKSEL

29 juni 2018

nr. 14/02785bis

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van wijlen [A] gewoond hebbende te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 april 2014, nrs. 13/00225 tot en met 13/00230, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1 Geding in cassatie

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 30 september 2016, nr. 14/02785, ECLI:NL:HR:2016:2195, BNB 2017/3, (hierna: het verwijzingsarrest) wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 19 oktober 2017, A, C-522/16, ECLI:EU:C:2017:778, BNB 2018/22, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:

“1) In omstandigheden als in het hoofdgeding moet artikel 201, lid 3, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, aldus worden uitgelegd dat de bescheiden die moeten worden overgelegd krachtens artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van verordening nr. 163/67/EEG, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 684/1999 van de Commissie van 29 maart 1999, voor de opstelling van de douaneaangifte benodigde gegevens vormen in de zin van deze bepaling.

2) Artikel 201, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, moet aldus worden uitgelegd dat onder het begrip „schuldenaar” van de douaneschuld in de zin van die bepaling mede moet worden begrepen de natuurlijke persoon die nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van handelsstromen, als die in het hoofdgeding, die een verlaging van de wettelijk verschuldigde invoerrechten tot gevolg heeft gehad, terwijl hij niet zelf de voor de opstelling van de douaneaangifte gebruikte verkeerde gegevens heeft verstrekt, wanneer uit de omstandigheden blijkt dat deze persoon wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de handelingen waarop die structuur betrekking had niet waren uitgevoerd in het kader van normale handelstransacties, maar louter met het doel om de door het...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT