Eerste aanleg - meervoudig van Centrale Raad van Beroep, May 02, 2013

Datum uitspraak:2013/05/02
Uitgevende instantie::Centrale Raad van Beroep
SAMENVATTING

Tussenuitspraak. Appellant was ten tijde van de in dit verband relevante verergering van zijn causale klachten nog aangewezen op inkomen uit arbeid in bedrijf of beroep. Zijn leeftijd kan daaraan niet afdoen, te minder nu bedoelde aangewezenheid ook in 2008, toen appellant de leeftijd van 65 jaren al ruim was gepasseerd, feitelijk nog is aangenomen. Dat appellant niettemin niet eerder dan in 2010 ... (volledige samenvatting weergeven)

 
GRATIS UITTREKSEL

11/5724 WUV-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak 2 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 augustus 2011, kenmerk BZ01292655 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. de Bie, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige].

OVERWEGINGEN

  1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.

    1.1. Bij besluit van 28 februari 2008 is appellant, geboren in 1940, met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijkgesteld met een vervolgde. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellant redelijkerwijs kunnen worden gerelateerd aan het omkomen van zijn vader tengevolge van vervolging in de zin van de Wuv. Aan appellant zijn enkele voorzieningen toegekend. De door appellant ook gevraagde periodieke uitkering is echter geweigerd, primair op de grond dat de psychische klachten van appellant niet hebben geleid tot een verminderd verdienvermogen en appellant niet werkt tot schade van zijn gezondheid.

    1.2. Het besluit van 28 februari 2008 is na bewaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2008. Bij uitspraak van 31 december 2009, 08/5916 WUV, LJN BL0186, heeft de Raad het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. De Raad onderschreef de hierboven weergegeven primaire afwijzingsgrond, dit omdat appellant ten tijde van belang nog steeds 50% ontving van de winst van de vennootschap onder firma waarin hij voor de helft deelgenoot was. Dat appellant niet de daarbij behorende helft van de werkzaamheden heeft verricht, was volgens de Raad niet van belang, nu de zakenpartner van appellant dit had geaccepteerd. Dat de zakenpartner inmiddels had laten weten met de ontstane situatie geen genoegen meer te nemen, kon volgens de Raad geen rol spelen, nu die wijziging dateert van na het bestreden besluit van 4 september 2008.

    1.3. Op 26 februari 2010 heeft appellant opnieuw verzocht om een periodieke uitkering. Bij besluit van 29 december 2010 is een periodieke uitkering toegekend met ingang van 1 februari 2010. De grondslag is vastgesteld op het minimum, omdat appellant op dat moment niet meer werkte. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT