Besluit van 21 februari 2011 tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage)

 
INDEX
GRATIS UITTREKSEL

Besluit van 21 februari 2011 tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, van 20 december 2010, nr. BJZ2011032485, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gelet op de artikelen 1.1, derde lid, en 7.2 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1.1, derde lid, 2.1, eerste lid, onder i, 2.4, tweede lid, 2.8, eerste lid, 2.17 en 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; De Raad van State gehoord (advies van 10 februari 2011, nr. W14.10.0572/IV);Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 18 februari 2011, nr. BJZ2011036821, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit milieueffectrapportage wordt als volgt gewijzigd:AArtikel 2 wordt als volgt gewijzigd:1. Aan het eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het eind van de zin door een komma, toegevoegd: met uitzondering van activiteiten die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt. 2. Aan het tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het eind van de eerste volzin door een komma, toegevoegd: alsmede activiteiten die in onderdeel C van de bijlage zijn omschreven en die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt. 3. Het vijfde lid komt te luiden: 5. Voor zover in de bijlage, onderdeel C, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport in zodanige gevallen. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet: a. in zodanige gevallen en b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hiervan zijn uitgezonderd de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit. 4. Na het vijfde wordt een lid toegevoegd, luidende: 6. Voor de vaststelling of een activiteit valt binnen de in het vijfde lid bedoelde categorieën van gevallen, wordt de totale activiteit beschouwd, inclusief eventuele grensoverschrijdende onderdelen. BNa artikel 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3

Dit besluit is in afwijking van artikel 2 niet van toepassing op activiteiten, plannen of onderdelen van plannen en besluiten die uitsluitend defensiedoeleinden betreffen. CDe bijlage wordt als volgt gewijzigd:1. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd: a. De begrippen «hoofdweg», «landelijke spoorweg», «waterweg» en «hoofdvaarweg» en de daarbij behorende begripsomschrijvingen vervallen. b. In de begripsomschrijving onder a, behorende bij het begrip «autoweg», komt de zinsnede «waarop het is verboden te stoppen of te parkeren» te luiden: waarop het is verboden te stoppen en te parkeren. c. Na de definitie van autoweg wordt een definitie van binnenvaarweg en een definitie van installatie opgenomen luidende: binnenvaarweg:

binnenwater welke kan worden bevaren door schepen;installatie:

een of meer installaties binnen een inrichting voor zover het de activiteit betreft als bedoeld in kolom 1 van de onderdelen C en D;. d. Na de definitie van continentaal plat wordt, onder vervanging van de punt aan het eind van de omschrijving van continentaal plat in een puntkomma, de volgende definitie opgenomen: windturbinepark:

park bestaande uit ten minste drie windturbines;.2. De onderdelen C en D van de bijlage komen te luiden:

Onderdeel C. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

C 1.1

C 1.2

De aanleg van een autosnelweg of autoweg.

Het plan, bedoeld in de artikelen 5 en 8 j° 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer, de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding door de Minister van Infrastructuur en Milieu dan wel het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

C 1.3

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken, of verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken niet zijnde een autosnelweg of autoweg.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 10 kilometer of meer.

Het plan, bedoeld in de artikelen 5 en 8 j° 9, tweede lid, van de Planwet verkeer en vervoer, de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet door de Minister van Infrastructuur en Milieu, dan wel het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

C 1.4

C 1.5

C 2

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een spoorweg voor spoorverkeer over lange afstand.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid,3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

De vaststelling van het tracé op grond van de Tracéwet door de Minister van Infrastructuur en Milieu dan wel het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

C 2.2

C 2.3

C 3

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een binnenvaarweg.

In gevallen waarin:

  1. de aanleg betrekking heeft op een binnenvaarweg die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton of

  2. de wijziging of uitbreiding betrekking heeft op:

    1. een vergroting van het ruimte-oppervlak met 20% of meer van een binnenvaarweg die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton,

      De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

      De vaststelling van het tracé door de Minister van Infrastructuur en Milieu dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

    2. een structurele verdieping waarbij meer dan 5 miljoen m3 grond wordt verzet, of

    3. een verlegging van het zomerbed over een oppervlakte van 50 hectare of meer.

      C 3.2

      C 3.3

      C 3.4

      C 4

      De aanleg, wijziging of uitbreiding van:

  3. een haven voor de binnenscheepvaart,

  4. een zeehandelshaven, of

  5. een met het land verbonden en buiten een haven gelegen pier voor lossen en laden, met uitzondering van pieren voor veerboten.

    In gevallen waarin:

  6. de aanleg betrekking heeft op:

    1. een haven die bevaarbaar is voor schepen met een laadvermogen van 1.350 ton of meer, of

    2. een pier die schepen kan ontvangen met een laadvermogen van meer dan 1.350 ton of

  7. de wijziging of uitbreiding betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer.

    De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

    De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

    C 4.2

    C 5.1 t/m C 5.4

    C 6.1

    De aanleg, de inrichting of het gebruik van een luchthaven als bedoeld in de Wet luchtvaart.

    In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een luchthaven die de beschikking krijgt over een start- of landingsbaan met een lengte van 2.100 meter of meer.

    De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening.

    Ten aanzien van de luchthaven Schiphol een luchthavenindelingbesluit of een luchthavenverkeerbesluit als bedoeld in respectievelijk de artikelen 8.4 en 8.15 van de Wet luchtvaart.

    Ten aanzien van een andere luchthaven een luchthavenbesluit als bedoeld in de Wet luchtvaart.

    C 6.2

    C 7

    C 8

    De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of chemicaliën.

    In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding met een diameter van meer dan 80 centimeter en een lengte van meer dan 40 kilometer.

    De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT