Uitspraak Nº 201701718/1/R6. Raad van State, 2017-10-18

Datum uitspraak:18 oktober 2017
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201701718/1/R6.

Datum uitspraak: 18 oktober 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Schaijk, gemeente Landerd,

2. [appellant sub 2], wonend te Schaijk, gemeente Landerd,

en

1. de raad van de gemeente Landerd,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landerd,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum Schaijk" vastgesteld.

Bij besluit van 17 januari 2017, kenmerk HZ-2015-0161, heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van onder meer een gebouw met een supermarkt en winkels op enkele percelen aan de Pastoor van Winkelstraat, het Europaplein en het Kapelanieplein te Schaijk.

Bij besluit van 17 januari 2017, kenmerk HZ-2015-0162, heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een gebouw met een winkel en twee appartementen op de percelen Kapelanieplein 30, 32 en 34 te Schaijk.

Bij besluit van 17 januari 2017, kenmerk HZ-2016-0023, heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van onder meer twee commerciële ruimten, stallingsruimte voor motorvoertuigen en een magazijn voor een supermarkt met een inpandig expeditiehof op enkele percelen aan de Schutsboomstraat en aan het Kapelanieplein te Schaijk.

Tegen al deze besluiten hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

Movement Real Estate B.V. en Pakhuis Schaijk B.V. hebben een nadere uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. V.A.C.M. Vonk, rechtsbijstandverlener te ’s-Hertogenbosch, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Vianen, en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. L.J. Gerritsen, advocaat te Nijmegen, en D. Boeve, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Movement Real Estate B.V. en Pakhuis Schaijk B.V., vertegenwoordigd door mr. T. Segers, advocaat te ’s-Hertogenbosch, gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 9 juli 2015 heeft de raad besloten de bestreden besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening. De besluiten hebben tegelijkertijd ter inzage gelegen. De beroepen tegen de desbetreffende besluiten dienen ieder binnen het eigen beoordelingskader te worden beoordeeld.

Inleiding

2. Het plan en de omgevingsvergunningen zien op de herontwikkeling en de herstructurering van het centrumgebied van Schaijk. In de bestaande situatie liggen de winkels verspreid in Schaijk. Het doel van het plan is het bundelen van de bestaande winkels in het centrum. De leegstaande winkelpanden in het centrum bieden gelegenheid voor deze herontwikkeling. Het plangebied wordt begrensd door de Pastoor van Winkelstraat, het Europaplein, de Jan Oliemeulenstraat en de Schutsboomstraat.

Op het perceel Burgemeester Hoefnagelstraat 14 te Schaijk, dat in de omgeving van het plangebied ligt, is een Albert Heijn supermarkt gevestigd. Na de herstructurering van het centrumgebied zal deze supermarkt worden verplaatst naar het centrumgebied.

[appellant sub 1] is eigenaar van en woont op het perceel [locatie 1]. [appellant sub 2] is eigenaar van de percelen [locatie 2] en [locatie 3]. Hij woont op het perceel [locatie 3] en voert een bedrijf op het perceel [locatie 2]. De percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bevinden zich in de omgeving van het plangebied. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voor onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun percelen als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

De beroepen

Artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro)

4. [appellant sub 2] betoogt dat het plan, voor zover het betreft de beoogde detailhandel, is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Volgens hem is in zoverre sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van die bepaling. Hij voert hiertoe aan dat het plan ten onrechte voorziet in een toename van het vloeroppervlak voor detailhandel in het centrum van Schaijk. Hij stelt in dit verband dat in het centrum reeds sprake is van overcapaciteit aan winkelruimte en leegstand in veel bestaande winkelpanden. Verder vreest [appellant sub 2] voor leegstand van het pand, waar thans nog de Albert Heijn supermarkt is gevestigd.

4.1. De raad stelt zich allereerst op het standpunt dat het plan, voor zover het betreft de detailhandel, niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De raad stelt hiertoe dat het plan niet voorziet in een toename, maar juist in een afname van het ruimtebeslag voor detailhandel ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Het plan voorziet volgens de raad evenmin in een functiewijziging ten opzichte van dat bestemmingsplan, zodat ook in dat verband geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De raad wijst er op dat in het plan geen nieuwe gebruiksfuncties zijn opgenomen.

4.2. Artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, luidt:

"In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…)

i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zoals dit luidde ten tijde van de planvaststelling:

"2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

(…)"

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, moet bij de beantwoording van de vraag of de ontwikkeling, die het voorliggende plan mogelijk maakt, een nieuwe stedelijke ontwikkeling is in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan.

4.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Kom Schaijk" waren aan de gronden van het plangebied de bestemming "Gemengd" en "Centrum" toegekend, waarbinnen onder meer voorzieningen voor publiekgerichte en niet publiekgerichte dienstverlening, maatschappelijke doeleinden, horeca, detailhandel, bedrijven en wonen waren toegestaan. Ter plaatse van de aanduidingen "supermarkt" waren ook voorzieningen voor een supermarkt toegestaan.

Het voorliggende plan voorziet in de bestemming "Centrum", waarbinnen onder meer voorzieningen voor detailhandel, een bedrijf, dienstverlening, winkelondersteunende horeca, wonen en twee supermarkten met supermarktondersteunende functies, te weten kantoorruimte en kantineruimte, zijn toegestaan.

Wat betreft de gebruiksmogelijkheden van het voorliggende plan stelt de Afdeling vast dat deze niet voorzien in een functiewijziging ten opzichte van het voorheen geldende plan.

4.5. Wat betreft het ruimtebeslag voor detailhandel overweegt de Afdeling als volgt.

4.6. Artikel 3, lid 3.1 van de planregels luidt:

"De voor "Centrum" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van centrum - 1" zijn op het gehele bouwperceel met uitzondering van de verdiepingen van een gebouw toegestaan:

1. detailhandel, niet zijnde een supermarkt, met een totaal bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 2.618 m²;

(…)

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van centrum - 2" zijn op het gehele bouwperceel met uitzondering van de verdiepingen van een gebouw toegestaan:

1. detailhandel, niet zijnde een supermarkt met een totaal bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 1.674 m²;

(…)

c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van centrum - 3" zijn op het gehele bouwperceel met uitzondering van de verdiepingen van een gebouw toegestaan:

1. detailhandel, niet zijnde een supermarkt, met een totaal bedrijfsvloeroppervlakte...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT