Uitspraak Nº 201801423/1/V2. Raad van State, 2018-07-04

Datum uitspraak: 4 juli 2018
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201801423/1/V2.

Datum uitspraak: 4 juli 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 februari 2018 in zaak nr. NL18.801 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 9 februari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaken ECLI:NL:RVS:2018:2169 en ECLI:NL:RVS:2018:2170 ter zitting behandeld op 26 april 2018, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. F.S. Schoot, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. T. Neijzen, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Niet in geschil is dat de vreemdeling homoseksueel en transgender is. De vreemdeling is geboren als man, maar voelt zich en kleedt zich als vrouw. De Afdeling zal daarom vrouwelijke aanduidingen gebruiken.

Deze uitspraak gaat over de positie van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en personen met een intersekse conditie (hierna: LHBTI) in Cuba. In geschil is of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Cuba problemen heeft ondervonden, omdat zij tot de groep van LHBTI behoort. Wanneer sprake is van dergelijke problemen dan is het de vraag of deze hebben geleid tot zo ernstige belemmeringen in haar leven dat sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of van een schending van artikel 3 van het EVRM. De Afdeling zal eerst de algemene situatie van LHBTI in Cuba bespreken en bezien of er aanknopingspunten bestaan om aan te nemen dat deze groep onderworpen wordt aan systematische vervolging, dan wel als groep een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarna zal de persoonlijke situatie van de vreemdeling aan de orde komen. Ook komt aan de orde of aan LHBTI in het algemeen bescherming van de autoriteiten wordt geboden.

1.1.

De Afdeling besteedt bij beantwoording van de geschilpunten aandacht aan de algemene situatie voor LHBTI uit Cuba. Gelet hierop en op de actualiteitswaarde van de uitspraak, betrekt de Afdeling bij deze toetsing ook stukken waarop partijen pas na de aangevallen uitspraak een beroep hebben gedaan. De in deze procedure betrokken stukken zijn vermeld in de aangehechte bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Eerste en tweede grief

2. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door de vreemdeling ondervonden problemen niet zo'n ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden opleveren dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Cuba te functioneren. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich allereerst op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar problemen verband houden met haar seksuele gerichtheid, dan wel genderidentiteit. Vervolgens heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de problemen niet zwaarwegend genoeg zijn om haar een verblijfsvergunning te verlenen. De staatssecretaris klaagt daarnaast dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 8 januari 2018 niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Cuba in het algemeen bescherming mogelijk is voor LHBTI.

Standpunten van partijen

2.1.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie voor LHBTI in Cuba aanzienlijk is verbeterd in de afgelopen jaren. Zo volgt uit de landeninformatie dat homoseksualiteit geen strafbaar feit is en dat het verrichten van homoseksuele handelingen niet verboden is. Cubaanse wetgeving verbiedt discriminatie op grond van seksuele gerichtheid bij werk en toegang tot huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg. De Cubaanse autoriteiten bevorderen de rechten van LHBTI in internationale fora, financieren geslachtsveranderingen en hebben in 2016 een 'gay pride' toegestaan. Met toestemming van de autoriteiten heeft een demonstratie plaatsgevonden van voorstanders van huwelijken tussen personen van gelijke sekse. De verbeteringen zijn grotendeels tot stand gekomen onder leiding van Mariela Castro, de dochter van de onlangs teruggetreden president van Cuba, Raúl Castro. Mariela Castro staat aan het hoofd van het 'Centro Nacional de Educación Sexual' (CENESEX), een organisatie die opkomt voor de rechten van LHBTI in Cuba. Mariela Castro staat bekend als een voorvechtster van de rechten van LHBTI. De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat het hier gaat om een geleidelijk proces. Hij erkent dat LHBTI in Cuba nog steeds te maken hebben met discriminatie en geweld en dat zij door medeburgers en politie worden lastiggevallen. De staatssecretaris is echter van mening dat de discriminatie en andere problemen niet zo ernstig zijn dat in Cuba het leven van LHBTI onhoudbaar is. Het aanhouden van LHBTI door de politie lijkt meestal verband te houden met het voorkomen van prostitutie en andere criminele activiteiten. Cuba kent volgens de staatssecretaris geen strafwetgeving die specifiek betrekking heeft op LHBTI, maar juist wetgeving die hen kan beschermen. Verder kunnen LHBTI zich bij een eventuele schending van hun grondrechten wenden tot CENESEX, dat advocaten in dienst heeft die klachten van LHBTI in behandeling nemen. Uit de landeninformatie blijkt ook verder niet dat in Cuba sprake is van groepsvervolging van LHBTI, aldus de staatssecretaris.

2.2.

De vreemdeling heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie voor LHBTI in Cuba nog steeds erg slecht is. LHBTI ondervinden veel geweld. Ook worden LHBTI gestigmatiseerd, hebben zij te maken met discriminatie op de woning- en arbeidsmarkt en komen zij door armoede vaak in de prostitutie terecht. De traditionele machocultuur vormt een barrière voor LHBTI om gelijk behandeld te worden. De vreemdeling betoogt verder dat CENESEX, dat feitelijk deel uitmaakt van de overheid, alleen is opgericht als staatspropaganda en als doel heeft om in het buitenland een beter imago voor Cuba te creëren. CENESEX is verder de enige organisatie die mag opkomen voor de rechten van LHBTI. LHBTI mogen zich niet onafhankelijk organiseren. Personen die dit wel doen, hebben verklaard dat zij door de autoriteiten in de gaten worden gehouden, worden lastiggevallen en in sommige gevallen te maken krijgen met geweld. Een...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT