Uitspraak Nº 201308141/1/R3. Raad van State, 2015-08-28

Datum uitspraak:28 augustus 2015
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201308141/1/R3.

Datum uitspraak: 28 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (r.o. 6),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kinderdagverblijf De Boterbloem B.V. (hierna: het Kinderdagverblijf), gevestigd te Oirschot (r.o. 24),

3. [appellant sub 3], wonend te Oirschot (r.o. 25),

4. [appellant sub 4], wonend te Oirschot (r.o. 26),

5. [appellant sub 5], gevestigd te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 27),

6. [appellant sub 6], wonend te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 28),

7. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 7A]), wonend te Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 29),

8. [appellant sub 8], wonend te Oostelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 30),

9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), wonend te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 31),

10. [appellant sub 10], wonend te Westelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 32),

11. [appellant sub 11], wonend te Oirschot (r.o. 33),

12. [appellant sub 12], wonend te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 34),

13. [appellant sub 13], wonend te Oostelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 39),

14. [appellant sub 14], wonend te Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 41),

15. [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 15]), wonend te Oirschot (r.o. 42),

16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V., als rechtsopvolger van de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie, gevestigd te Groningen (hierna: Gasunie) (r.o. 43),

17. [appellant sub 17], handelend onder de naam Camping Rakelbos, wonend te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 20 en 44),

18. de stichting Stichting Behoud Erfgoed Oirschot (hierna: SBEO), gevestigd te Oirschot (r.o. 45),

19. [appellant sub 19A] en [appellant sub 19B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 19]), wonend te Oirschot (r.o. 46),

20. [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 20]), wonend te Oirschot (r.o. 47),

21. [appellant sub 21], handelend onder de naam Educatieve Viskwekerij de Stroom, wonend te Oirschot (r.o. 47),

22. [appellant sub 22], wonend te Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 48),

23. [appellant sub 23], wonend te Oostelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 49),

24. [appellant sub 24], wonend te Oostelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 50),

25. [appellant sub 25], wonend te Oirschot (r.o. 51),

26. [appellant sub 26], wonend te Oirschot (r.o. 52),

27. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: BMF), gevestigd te Tilburg (r.o. 53),

28. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 28], gevestigd te Oirschot (r.o. 65),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Oirschot,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied fase II 2013" (hierna: plan Fase II) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hierover heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht.

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied fase II 2013, 2e bestuurlijke lus" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college van gedeputeerde staten beroep ingesteld, onder meer op alle plandelen waarop zijn reactieve aanwijzingsbesluit van 23 juli 2013 met betrekking tot het bestemmingsplan van 18 juni 2013 betrekking had.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 en 14 april 2015, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn ter zitting [derde belanghebbende A] en [derde belanghebbende B], [appellant sub 17], [derde belanghebbende C], bijgestaan door mr. J. Schoneveld, [derde belanghebbende D], bijgestaan door mr. P.M.A.C. van de Laak, advocaat te Moergestel,

[derde belanghebbende E], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door mr. M.N.J. van der Stappen, ook als derde belanghebbenden gehoord.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [appellant] afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201308141/7/R3.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Ten tijde van de vaststelling van plan Fase II was de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening 2012) van kracht. Ten tijde van de vaststelling van het plan was de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening 2014) van kracht.

De plannen

3. De Afdeling stelt, mede gelet op de bewoordingen van het besluit van de raad van 16 december 2014, vast dat bij dat besluit plan Fase II onder de benaming "Buitengebied fase II 2013, 2e bestuurlijke lus" in zijn geheel opnieuw, gewijzigd is vastgesteld.

4. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 16 december 2014 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verder is het besluit van 16 december 2014 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dienen de beroepen te worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 16 december 2014, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. De Afdeling zal bij ieder beroepschrift het plan als eerste beoordelen, en daarna en voor zover nodig, plan Fase II.

5. Het plan voorziet, evenals plan Fase II, in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Oirschot.

Het beroep van het college van gedeputeerde staten

6. Zoals hiervoor is vermeld onder het procesverloop heeft het college tegen alle onderdelen van het plan beroep ingesteld waarop zijn reactieve aanwijzingsbesluit van 23 juli 2013 met betrekking tot het plan Fase II betrekking had.

De gronden van het beroep van het college steunen derhalve nog mede op de bepalingen van de Verordening ruimte 2012.

De percelen [locaties 1]

7. Het college kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen" met betrekking tot de percelen [locatie 1A] en [locatie 1B] te Oost-, West- en Middelbeers, voor zover de daarbij toegekende omvang van het bestemmingsvlak afwijkt van het bestemmingsvlak dat in het ontwerpplan was toegekend. Het college voert aan dat bestemmingsvlakken ten onrechte worden vergroot op gronden waarop geen bebouwing aanwezig is en die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS). Het plan voldoet volgens hem in zoverre niet aan de eis in artikel 4.2 van de Verordening 2012 waaruit volgt dat een dergelijke ontwikkeling in de EHS slechts is toegestaan als die strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied. Dit geldt volgens het college temeer daar bij de vaststelling van het plan geen afweging is gemaakt hoe deze wijziging zich verhoudt tot de kenmerken van de EHS. Het plan is bovendien in strijd met artikel 2.2 van de Verordening 2012 waarin is bepaald dat een ruimtelijke ontwikkeling gepaard dient te gaan met een aantoonbare verbetering van het landschap, aldus het college.

7.1. De raad en de bewoners/eigenaren van de percelen, [bewoner A] en [bewoner B], hebben zich op het standpunt gesteld dat de begrenzing van de EHS ter plaatse geen recht doet aan het al sinds 1978 bestaande gebruik van de grond als tuinen en voor bijbehorende gebouwen en bouwwerken. Volgens de raad sluiten de bouwvlakken aan op de omliggende bouwvlakken en vormen zij daarmee ruimtelijk één geheel. Zij zijn van mening dat de bestaande natuur door de toegekende bestemming niet wordt aangetast.

7.2. In het plan is aan de percelen de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden onder andere bestemd voor woningen.

Artikel 19, lid 19.2.4, bevat bepalingen voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen, aan- en uitbouwen) bij woningen. Lid 19.2.6 bevat bepalingen voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

7.3. Ingevolge artikel 1.1, onder 72, van de Verordening 2012 wordt onder ruimtelijke ontwikkeling verstaan: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012 bevat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT