Uitspraak Nº 201506246/1/R6. Raad van State, 2016-02-03

Datum uitspraak: 3 februari 2016
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.

201506246/1/R6.

Datum uitspraak: 3 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Verenigde Ondernemers Culemborg, gevestigd te Culemborg,

appellante,

en

de raad van de gemeente Culemborg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Spoorzone" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit heeft de vereniging beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A], [belanghebbende B] en [belanghebbende C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vereniging en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2015, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter] en G. Smits, bijgestaan door mr. L.J. Smale, advocaat te Leiden, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.P. van den Hombergh, K. van Dijk, M. Bonouvrie en M. Verwey, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door A. Menhart, en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Ahold Vastgoed B.V. en Albert Heijn B.V., vertegenwoordigd door P.H. ten Kleij, gehoord.

Overwegingen

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan

1. Het bestemmingsplan voorziet in de herinrichting van de stationsomgeving van Culemborg. Aan de westzijde van het spoor voorziet het plan in de mogelijkheid om nieuwe bebouwing op te richten ten behoeve van onder meer een supermarkt. Verder is in het plan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de herontwikkeling van de voormalige meubelfabriek, die aan de oostzijde van het spoor is gelegen.

Crisis- en herstelwet

2. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met categorie 3, onder 3.1, van bijlage 1 van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden ten behoeve van de herstructurering van woon- en werkgebieden.

2.1. Het plan maakt de herstructurering van een werkgebied mogelijk zodat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw afdeling 2 van hoofdstuk 1 op het bestreden besluit van toepassing is.

Het geschil

3. De vereniging is het niet eens met de mogelijkheden die het plan biedt voor de stationsomgeving. Zij vreest dat onder meer de verplaatsing van een in het centrum gevestigde supermarkt naar de stationsomgeving negatieve gevolgen zal hebben voor het centrumgebied en de wijkwinkelcentra.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

5. [belanghebbende] betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, voor zover in het beroep gronden en argumenten tegen het plan worden aangevoerd die in de zienswijze niet naar voren zijn gebracht. Volgens de raad geldt dat voor de gronden over de Chw, artikel 3.1.6, eerste lid, onder c, en tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), horeca en ongeoorloofde staatssteun.

5.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Ofschoon in de door de vereniging naar voren gebrachte zienswijze met name wordt ingegaan op de in het plan mogelijk gemaakte detailhandel, richt deze zienswijze zich blijkens de bewoordingen daarvan tegen het gehele ontwerpplan en de daarin opgenomen mogelijkheden. Dit brengt met zich dat het beroep ook ontvankelijk is, voor zover het zich richt tegen de bij het plan mogelijk gemaakte horeca.

Voor het overige geldt dat binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden geen rechtsregel eraan in de weg staat dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren.

Vooroverleg

6. De vereniging betoogt dat de toelichting op het plan in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro niet alle uitkomsten van het vooroverleg bevat. Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015 in zaak nr. 201405266/1/R6 betoogt de vereniging dat in dit geval ten onrechte een schriftelijk positief advies van het Rijk ontbreekt. Voorts is de enkele instemming van de provincie volgens haar niet voldoende, maar dient te blijken dat en op welke datum door de provincie is getoetst aan de provinciale verordening, het provinciale beleid en aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

6.1. De raad betoogt dat deze beroepsgrond niet voldoet aan het relativiteitsvereiste zoals dat is neergelegd in artikel 8:69a van de Awb. Hij stelt voorts dat de uitkomsten van het vooroverleg zijn te vinden in de nota van beantwoording, die als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd.

6.2. In de toelichting op het plan wordt voor de uitkomsten van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Bro verwezen naar de Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg Voorontwerpbestemmingsplan Spoorzone, die als bijlage 18 bij de toelichting is gevoegd. Hieruit blijkt dat er overleg is geweest met het waterschap Rivierenland en de provincie Gelderland.

Uit de door de vereniging aangehaalde uitspraak van 4 februari 2015 kan niet worden afgeleid dat uit artikel 3.1.6, aanhef en onder c, van het Bro volgt dat in dit geval een schriftelijk positief advies van het Rijk vereist is. In die uitspraak was een bepaling uit de Omgevingsverordening Overijssel aan de orde waarin, kort gezegd, een schriftelijk positief advies van de provinciale diensten over het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Bro als vereiste voorkomt in de definitie van bestaand bebouwd gebied. Die situatie doet zich hier niet voor.

Anders dan de vereniging betoogt verplicht artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro tot het vermelden van de uitkomsten van het overleg maar niet tot het weergeven van ieder standpunt van de provincie over de verhouding van het plan tot de provinciale verordening, het provinciale beleid en artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

6.3. Het betoog faalt, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet zich uit te spreken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou staan.

Aanwijzing als experiment

7. De vereniging kan zich niet verenigen met de aanwijzing van het project Spoorzone Culemborg in artikel 7c, dertiende lid, onder d, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Besluit uitvoering Chw) als experiment als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Chw.

Volgens de vereniging is ten eerste geen sprake van een experiment als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Chw, omdat het plan daarvoor te verstrekkend is en er geen mogelijkheid is om bij te sturen. Voorts is ook niet voldaan aan het bepaalde in het tweede lid van dat artikel, nu het zogenoemde experiment geen versnelde bijdrage levert aan de bestrijding van de economische crisis. Het plan leidt volgens de vereniging juist tot economisch overaanbod, leegstand en vermindering van werkgelegenheid in de binnenstad. Verder is volgens de vereniging evenmin voldaan aan de eis in dat lid dat de uitvoering van het experiment bijdraagt aan de duurzaamheid. Er vindt namelijk geen verwijdering van de aanwezige verontreiniging plaats en van duurzaam ruimtegebruik is vanwege het bouwprogramma ook geen sprake, aldus de vereniging.

Voorts is volgens de vereniging in artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw in strijd met artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Chw niet duidelijk gemaakt welke afwijkingen van de in artikel 2.4, eerste lid, van de Chw genoemde wetten zijn toegestaan voor dit project en voor welke tijdsduur die afwijkingen ten hoogste gelden.

Volgens de vereniging blijkt uit het bestreden besluit niet van welke afwijkingen van artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw in dit geval gebruik is gemaakt. Volgens de vereniging heeft de raad in dit geval willen afwijken van de eis dat een bestemmingsplan uitvoerbaar moet zijn, maar kan daarvan niet worden afgeweken, omdat in artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw artikel 3.1, eerste lid, van de Wro niet is vermeld.

7.1. De raad stelt dat de aanwijzing van het project Spoorzone Culemborg voldoet aan de voorwaarden in artikel 2.4, eerste en tweede lid, van de Chw. Volgens de raad is sprake van een experiment dat bijdraagt aan...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT