Uitspraak Nº 201708327/1/R6. Raad van State, 2018-11-14

Datum uitspraak:14 november 2018
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201708327/1/R6.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Communicatie Platform De Banjaard, gevestigd te Borsbeek (België), en anderen,

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Noord-Beveland,

2. het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Windturbinepark Noord-Beveland" vastgesteld.

Bij besluit van 5 september 2017 heeft het college aan Windpark Noord-Beveland B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van vier windturbines met transformatorhuisjes en inkoopstation aan de Krommeweg 4 in Kamperland.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de artikelen 3.30 en 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze besluiten hebben De Banjaard en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Door De Banjaard en anderen, de raad en het college en Windpark Noord-Beveland B.V. zijn nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2018, waar De Banjaard en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. D.A.C. Janssen, advocaat te Tilburg, de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. B.C.C. Melis, W. Kouwer en mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Windpark Noord-Beveland B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het plan voorziet in de bouw van vier windturbines met een tiphoogte van 150 meter en een gezamenlijk vermogen van 14,4 Megawatt (hierna: MW) in de Jacoba Rippolder op Noord-Beveland. In het plangebied staan momenteel vijf windturbines met een tiphoogte van 125 meter en een gezamenlijk vermogen van 14,9 MW, die daar in 2007 zijn geplaatst. Die bestaande windturbines zullen worden afgebroken. Ten westen van het plangebied liggen vakantieparken De Oude Banjaard en De Banjaard. De meeste van de 68 personen die gezamenlijk met vereniging Communicatie Platform De Banjaard en de Vereniging van eigenaren van bungalows in het bungalowpark "De Banjaard" beroep hebben ingesteld tegen de voorliggende besluiten zijn eigenaren van recreatiewoningen op deze twee vakantieparken. Twee van die 68 personen zijn ieder eigenaar van een woning aan de Krommeweg ten oosten van het plangebied. Zij stellen dat het plan tot een verslechtering ten opzichte van de bestaande situatie leidt, omdat de vier nieuwe windturbines groter zijn en daardoor meer hinder veroorzaken dan de vijf bestaande windturbines.

Ontvankelijkheid

2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

De Afdeling stelt vast dat [appellant a], [appellant b], [appellant c], [appellante d] en [appellante e] geen zienswijze over het ontwerpplan en de omgevingsvergunning naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Hierbij merkt de Afdeling nog op dat [appellant a], [appellant b], [appellant c] en [appellante d] wel tijdig een zienswijze hebben ingediend, maar dat die zienswijzen zijn gericht tegen de zogenoemde 'omgevingsvergunning beperkte milieutoets' (hierna: OBM) die is ingetrokken op 22 december 2016, en niet zijn gericht tegen het ontwerpplan of de verleende omgevingsvergunning die nu ter beoordeling voorliggen.

Het beroep van De Banjaard en anderen, voor zover het is ingesteld door [appellant a], [appellant b], [appellant c], [appellante d] en [appellante e], is niet-ontvankelijk.

BESTEMMINGSPLAN

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ingetrokken beroepsgrond

4. Ter zitting hebben De Banjaard en anderen hun beroepsgrond die betrekking had op het voorschrift onder de letter L van de vergunning ingetrokken.

Procedurele bezwaren

M.e.r.-beoordeling

5. De Banjaard en anderen voeren aan dat voor het plan ten onrechte geen m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden, terwijl dit ingevolge de SMB-richtlijn verplicht is in dit geval. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1675, stellen zij dat een MER had moeten worden gemaakt voor de vier nieuwe windturbines, aangezien in die eerdere uitspraak is geoordeeld dat voor het bestaande windpark ook een MER moest worden gemaakt. Ook betogen zij dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 27 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:816, volgt dat voor plannen die vallen onder de reikwijdte van de SMB-richtlijn een MER moet worden gemaakt. Dat de aangevraagde activiteit - gezien het vermogen van de nieuwe windturbines - onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. blijft betekent niet dat daarom geen MER hoeft te worden gemaakt, aldus De Banjaard en anderen.

5.1. De Afdeling overweegt dat Richtlijn 2001/42 EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (hierna: de SMB-richtlijn) in de Nederlandse wetgeving is omgezet, zodat de doorwerking van die richtlijn in beginsel plaatsvindt via het nationale recht. De SMB-richtlijn kan niettemin van belang zijn voor de interpretatie van nationale bepalingen die strekken ter implementatie van de SMB-richtlijn. Het nationale recht met betrekking tot de plan-m.e.r.-plicht is vastgesteld ter implementatie van de SMB-richtlijn. De SMB-richtlijn is een aanvulling op Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU (hierna: de MER-richtlijn). De MER-richtlijn is in het nationale recht geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.).

5.2. Dat het voorliggende bestemmingsplan valt onder de reikwijdte van de SMB-richtlijn is evident, gelet op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn. Derhalve dient een milieubeoordeling plaats te vinden, maar dat feit betekent op zichzelf nog niet dat ook een MER had moeten worden gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen is de SMB-richtlijn omgezet in nationale regelgeving. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. worden als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet bepalen of een MER moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie 22.2 bepaald dat bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer of 10 windturbines of meer beoordeeld dient te worden of een MER dient te worden gemaakt in het kader van het bestemmingsplan. De Afdeling stelt vast dat het plan niet voldoet aan deze drempelwaarden voor de m.e.r.-beoordelingsplicht, aangezien het plan slechts voorziet in de bouw van vier windturbines en in artikel 4, lid 4.2, onder g, van de planregels is bepaald dat het gezamenlijk vermogen van de windturbines minder dan 15 MW bedraagt.

5.3. Het voorgaande neemt niet weg dat ook in het geval dat de drempelwaarden van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet worden overschreden een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r. dient te worden uitgevoerd aan de hand van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de MER-richtlijn. Als daaruit de conclusie wordt getrokken dat niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, moet alsnog een MER voor het plan worden gemaakt.

Wat betreft de verwijzing door De Banjaard en anderen naar de eerdere uitspraak van de Afdeling over het wijzigingsplan "8e Wijziging bestemmingsplan Landelijk gebied" van 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1675, waarmee het bestaande windpark van vijf windturbines mogelijk is gemaakt, overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan De Banjaard en anderen betogen valt in die eerdere uitspraak niet te lezen dat de Afdeling van oordeel was dat een MER moest worden gemaakt, maar heeft de Afdeling slechts vastgesteld dat in de procedure een m.e.r.-beoordeling was uitgevoerd. Bovendien leidt die eerdere uitspraak niet noodzakelijkerwijs tot het oordeel dat voor een later windpark in ongeveer hetzelfde gebied eveneens een m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd, aangezien dat onder meer afhangt van de exacte invulling en locatie van de beoogde activiteit.

Anders dan De Banjaard en anderen betogen volgt uit het door hen genoemde arrest van het Hof van 27 oktober...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT