Uitspraak Nº 201604695/1/A1. Raad van State, 2017-08-23

Datum uitspraak:23 augustus 2017
Uitgevende instantie::Raad van State
 
GRATIS UITTREKSEL

201604695/1/A1.

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Mechelen, gemeente Gulpen-Wittem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 mei 2016 in zaak nr. 14/3317 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem.

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om handhavend op te treden tegen het mestbassin op het perceel aan de [locatie 1], te Mechelen (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 23 september 2014 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 3 augustus 2015 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het besluit op bezwaar van  23 september 2015 te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.

Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college opnieuw beslist op de bezwaren van [appellant] en anderen tegen het besluit van 5 november 20013, bezwaarmakers die op een afstand van meer dan 250 m van het mestbassin wonen niet-ontvankelijk verklaard, het besluit van 5 november 2013 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten en het besluit van 23 september 2014 ingetrokken.

Bij uitspraak van 13 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 23 september 2014 ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het tegen het besluit van 15 september 2015 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2017, waar [appellant] en vier anderen, bijgestaan door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door E. Haagmans en E. Vervuren-Lemmen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] gehoord.

De zaak is door de enkelvoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een meervoudige.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:57, derde lid, en artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het mestbassin op het perceel is in 1989 gebouwd ten behoeve van drie agrarische bedrijven, waaronder het agrarisch bedrijf dat thans door [belanghebbende] wordt geëxploiteerd. Inmiddels zijn twee van de bedrijven beëindigd en maakt alleen het agrarisch bedrijf van [belanghebbende] nog gebruik van het mestbassin.

    Naar aanleiding van aanhoudende klachten van omwonenden heeft het college door bureau Geonius terreinmetingen laten verrichten aan en nabij het mestbassin op het perceel. Gelet op de meetresultaten uit dit onderzoek heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het mestbassin wat betreft de omvang is gebouwd in afwijking van de in 1989 verleende bouwvergunning en vrijstelling en dat het mestbassin in gebruik is zonder de vereiste omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, nu dit op een afstand van minder dan 100 m van een geurgevoelig object is gelegen en een oppervlakte heeft van meer dan 750 m². Omdat de opslagcapaciteit van het mestbassin meer bedraagt dan 2.500 m³, overschrijdt het volgens het college tevens de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Gulpen-Wittem" maximaal toegestane inhoud. Gelet op de bedrijfseconomische belangen van [belanghebbende] heeft het college bij besluit van 5 november 2013 besloten om vooralsnog niet op te treden tegen voormelde overtredingen en om [belanghebbende] in de gelegenheid te stellen een aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en milieu.

    Het college heeft vervolgens bij besluit van 16 januari 2014 aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het verkleinen van de mestput door middel van het plaatsen van een betonwand. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit op bezwaar van 23 september 2014 heeft het college de weigering om handhavend op te treden in stand gelaten. Daarbij heeft het zich op het standpunt gesteld dat door het verlenen van de omgevingsvergunning van 16 januari 2014 de overtredingen ongedaan zijn gemaakt. De strijdigheid met de in 1989 verleende bouwvergunning is opgeheven en de afstand tot de dichtstbijzijnde woning is vergroot tot meer dan 100 m, terwijl de inhoud van het mestbassin wordt verkleind...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT